Raad van Policie en Tucht in de gewone Kolonien op

den 5 February 1838


Deels transcriptie, deels (cursief) samenvatting.

Nieuw gekozen gemeensmannen: J.H. Veldmeijer, C. van Weert en F. Mandos.

Wordt gelezen een proces-verbaal van de raad van toezigt van kolonie No 2 van den 3e dezer maand, waarop wordt binnengeroepen

Josua Thomas Veldhuizen, 40 jaar, ingedeeld bij vrouw Heidt K2H36: nieuwen pijen broek verkocht; zeer ongeschikt persoon voor de vrije koloniën, 'en waarbij hij zelven te kennen geeft in de gestichten beter te kunnen verzorgd worden'
--> onbep tijd Ommerschans


Verder wordt gelezen een proces-verbaal van den Raad van toezigt van Willemsoord van den 3e dezer maand, houdende beschuldiging tegen

Kolonistendochter Sara Posener, 17 jaar, maanden te laat van een 14-daags verlof teruggekeerd. 'De Raad vertrouwd, dat de beschuldigde door haar vader is misleid, en beschouwd haar zelve dus als minder schuldig, doch omtrent deze strafbepaling geene tusschenruimte bestaande' --> onbep tijd Ommerschans, maar directeur Van Konijnenburg draagt haar bij de permanente commissie voor voor 'gratie'.

Adrianus Zuidgeest, ingedeelde bij de weduwe Leeuwe, 15 jaar: baldadigheid gepleegd aan een onbewoonde kolonistenwoning. De beschuldigde komt niet opdagen. Hij blijkt helemaal niets beschadigd te hebben, heeft alleen de deur van het huisje geopend. --> vier dagen opsluiting in de strafkamer

Kolonisten Boas, K3H119, en Matteman, K3H122, die elkander zouden hebben beledigd en geslagen. Na ondervraging wordt Boas meer schuldig geacht, 'als de aanleidende oorzaak te zijn geweest' --> Boas zes dagen opsluiting, Matteman drie.

Eindelijk wordt nog gelezen in hetzelfde proces-verbaal de beschuldiging tegen den kolonist Klaas Visser Hoeve N138, welke eene deken zoude verkocht hebben, benevens eene partij aardappelen voor zijne consumptie.

Den beschuldigde binnen geroepen wordende, blijkt het dat hij niet is verschenen.
Uit den hierbij overgelegden brief van den Onder Direkteur Postema blijkt echter zijne schuld, alsmede zijn verlangen om als arbeider huisgezin naar de gestichten te Veenhuizen te worden overgeplaatst.

De Raad, gelet op Art: 2 § g en Art: 3 § 4 van het reglement van tucht, waarbij overplaatsing naar een der gestichten te Veenhuizen is gesteld, daarbij in aanmerking nemende dat het een arm en verkwistend huisgezin is,

Besluit:

Het huisgezin van Klaas Visser te verwijzen naar een der gestichten te Veenhuizen waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.

in de kantlijn: Het gezin is gratis overgenomen uit Grootebroek


Verder wordt gelezen een proces-verbaal van den Raad van toezigt van kolonie No 1 van den 2e dezer maand, houdende beschuldiging tegen

Kolonist G. Schlecht: misbruik sterken drank, 'waardoor oneenigheden in dat huishouden hebben plaatsgehad'. De beschuldigde blijkt het met de Raad oneens te zijn of die onenigheden nu door drank kwamen of niet. --> drie dagen strafkamer.

Hendrik Wouter Arnold: dronkenschap. --> drie dagen strafkamer.

Godfried Rangen: dronkenschap. --> ernstige vermaning

Albert Klaver, 'wegens verregaande brutaliteit tegen den bakker Seelenhorst, onder wiens opzicht hij in de Broodbakkerij werkzaam is. Albert ontkent, maar --> acht dagen opsluiting.

Willem van der Boor, 51 jaar: dronkenschap. --> vijf dagen strafkamer.


Voorts wordt nog gelezen in hetzelfde Proces verbaal de beschuldiging tegen:
Gerhardus Johannes Rochel oud 18 jaren,
Johannes Gommers oud 18 jaren,
Hendrik Huisman oud 20 jaren,
Joh Baptist Roffers oud 16 jaren,
welke allen den huisverzorger Horst zouden hebben beledigd, met hem eenige scheldwoorden toe te voegen.

De beschuldigden binnengeroepen zijnde, bekennen alle hunne misdrijf, zonder daarvoor eenige reden te kunnen opgeven.

De Raad, gelet op Art: 2 § b en Art: 3 § 1, van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen op diergelijke misdrijven is gesteld,

Besluit:

G.J. Rochel, J. Gommers, H. Huisman en J.B. Roffers ieder de straf toetewijzen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hun zij daartoe binnengeroepen zijnde, door den President wordt kenbaar gemaakt.


Johannes Herskamp, 18 jaar, Gabe Hoekstra, 15 jaar, welke den ondermeester A. Walter zouden hebben gescholden. Dat geloof ik meteen, want dit stel zal de tuchtzittingen frequenteren, maar de Raad is 'niet genoegzaam van hunne schuld overtuigd'. --> ernstige vermaning

Aldus gedaan in den Raad, te Frederiksoord, de 5 February 1838
J van Konijnenburg
C Hulst
Kuipers
F Mandos
J H Veldmeijer
C van Weert


Bijlage 1: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 03-02-1838

Raad van Toezicht gehouden in kolonie No 2 op zaturdag den 3e february 1838

Alle leden present zijnde is is geroepen om aldaar te compareren Joshua Thomas van Veldhuizen bestedeling, oud 40 jaren geboortig van Amsterdam, ingedeeld bij vrouw Heidt wonende op hoeve No 36, sedert 21 april 1832 in de koloniën en in welke tijd hij overgeplaatst is geworden na het 2e gesticht te Veenhuizen binnen, ter zake van onzedelijk gedrag met zekere kolonistenweduwe, en thans beticht van te Noordwolde een nieuwe peijen broek welke hij pas ontvangen had te hebben verkocht voor f 1-40.
Heeft geantwoord dat hij de broek werkelijk verkocht te Noordwolde aan Jan Alting voor f 1.40, om tabak, scheergoed en andere noodwendigheden te kopen, daar hij nimmer eenig zakgeld verdiende.
Zoo heeft de Raad geoordeeld dit aan den Raad van Tucht bekend te maken.


Bijlage 2: Raad van toezicht van Willemsoord 03-02-1838

Raad van Toezigt
Gehouden in kolonie N 3

Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt binnen geroepen Sara dochter van den kolonist Posener Hoeve 134, oud 17 jaren, welke in september voor 14 dagen verlof was toegekend en den 22e november eerst terug gekomen is
De reden van achterblijven, laat gevraagd wordende, zegt zij, dat ziekte haar alleen heeft doen terug komen, anders had zij te Amsterdam, waar zij reeds dienstbaar was, gebleven, doch nu ziek geworden zijnde en geen nader verblijf weetende naar hare ouders is moeten terug keeren.

Daarna wordt binnen geroepen Adrianus Zuidgeest, ingedeeld bij wed. Leeuwe, H41, oud 15 jaren , als beschuldigd, de deur van een open staande of onbewoonde hoeve te hebben opengebroken, eenige glazen daarin te hebben aan stukken gegooid of geslagen en een stuk uit den muur gebroken te hebben.
De beschuldigde bekent wel de deur te ruw te hebben opengebroken maar anders niets aan het huis te hebben gedaan, en daar niemand gezien heeft dat hij er in geweest is, kan men hem niet overtuigen vorenstaande schade aan het huis te hebben toegebragt.

Na dien worden achter eenvolgens binnen geroepen de kolonisten Boas en Matteman van hoeve 119 en 122 de welke Maandag bij het ontvangen van hooi, wederom erg aan het twisten en kijven zijn geweest, bij welke gelegenheid Boas eerst is begonnen voor schurk te schelden, waarop Matteman hem een klap gegeven heeft en daarna zijn begonnen elkander eenige slagen toe te brengen
Daarbij zijn tegenwoordig geweest J.K.Rootje ingedeelde bij wed. Dijkstra H20 en K.W. Vreeling H 20 welke beide getuigen dat Boas de aanleidende oorzaak tot deze twist geweest, is, hetgeen de raad goed kan gelooven daar Boas nu nog niet laten kan scheldwoorden tegen Matteman uit te spreken

Nog is voor den raad geroepen den kolonist Klaas Visser Hoeve 138, dewelke eene deken die hij pas nieuw ontvangen had verkocht heeft, en de aardappelen waarvan hij nog voor aangewezen voorraad moest hebben, reeds nagenoeg weg zijn, waarvan hij zeer zeker ook een gedeelte zal verkogt hebben, doch in plaats zelve te komen heeft hij nevenstaande brief ingezonden.

Adus gedaan te Willensoord den
3 Februarij 1838
P. Postema
B. Kuperus
F. Mandos
P. Hazeloop
F. de Plot


Bijlager 3: Brief van kolonist Klaas Visser

Willemsoord den 3 Februarij 1838

Mijn Heer

Ik ben heden morgen door de wijkm P. Hazeloop bescheijden om van Avond tegen zeven uuren voor de raad te komen, dog de daar voor bestaande redenen, komt mij voor van te kunnen gissen, daar ik op uw onderzoek reeds bekend heb, van een deeken verkogt te hebben
Houd nu de wet in dat ik van goederen dewelke door arbeid verdiend en betaald zijn straf schuldig ben, dan zal ik mij welligt daar aan moeten onderwerpen.

Ook heb ik U reeds bekend van te veel aardappels volgens de bepaaling van de maatschappij gebruijkt te hebben, en deels niet genoegzaam voor de vorst bezorgd te hebben.
Edog om mij nu op anderen met mij daar en gelijkstaande te beroepen of om te meenen door een ander ongeluk te zoeken zelve behouden of gelukkig te worden, is mijn geloof niet
Handel dus maar met mij volgens de wet in de Kolonie.

Mijn verzoek, en wel bizonder mijn vrouw is om na veenhuizen als arbeiders huisgezin verplaast te mogen worden om reden dat zij van daar nog eenmaal in t jaar haar kinderen mag gaan bezoeken, ofschoon wij er niets op tegen hebben om van hier verplaast te worden niet om u nog om onze tegenwoordige wijkm of onderwijzer, maar alleen om mijn meede koonisten, die mij alle geveijnsd haaten omdat ik de waarheid tegen Wardenburg geschreven heb, en nog heden tegen alle vol houd om te zeggen, dat een man die niets anders bezit dan een aantal kinderen, zig gelukkig mag achten op de koloniën te zijn.

Ofschoon ik hoop dat Heer het mij niet kwalijk zal nemen dat ik meen dat de Maatschappij van Weldadigheid en hun doel en beloften, waar op ik voor bijna twintig jaar na de koloniën vertrokken ben in veele opzigten tekort schied.

Ben met alle Achting

Visser


Bijlage 4: Raad van toezicht van Frederiksoord 02-02-1838

Raad van Toezicht, gehouden bij Kolonie N. 1, op Vrijdag den 2 Februarij 1838

Al de leden zijn tegenwoordig.

Voor den Raad zijn verschenen:

Gerhardus Schlecht oud 30 jaren, als beschuldigd van dronkenschap en mishandeling zijner vrouw in het laatst van December 1837.
Hij ontkent zijne schuld niet, maar wil het doen voorkomen, als of hij slechts een borrel zoude hebben gedronken.-

Hendrik Wouter Arnold, oud 43 jaar  weet op de tegen hem ingebragte beschuldiging, van op 4 December jl. toen hij van Steenwijk kwam zoodanig beschonken te zijn geweest, dat hij te Nijensleek aan eene boerenwoning heeft aangeklopt en zelfs geweld gebruikt om er in te komen, in de meening dat hij bij den kastelein Albert Mulder was, niet veel in te brengen, dan dat zijne vrouw, die bij hem was, onpasselijk werd en dit ook de oorzaak is geweest dat zij beide in een sloot zijn gevallen.-

Godfried Rangen, die beschuldigd is van op 7 Januarij dronken te zijn  geweest brengt daarvoor in, dat hij door misselijke onaangenaamheden, zoo als een bezoek zijner dochter, die buiten de kolonie woont, en een wollen deken heeft medegenomen, de zaak weder in der minne wilde bijleggen en daarop met zijne vrouw zamen een borreltje heeft gedronken.-

Willem van der Boor, bestedeling oud 38(?) jaren al mede beschuldigd van dronkenschap, geeft daarvoor als aanleidende oorzaak op het een eindweegs uitgeleide doen aan een zoon van de Wed Hopman, die eens over was geweest van zijnen moeder te bezoeken.-

Voorts zijn nog verhoord, op het hierbij gevoegd rapport van den kolonist Horst, houdende aanklagte van beleediging door eenige jongens.
Gerhardus Johannes Rochel, oud 18 jaar
Johannes Gommers, oud  18 jaren
Hendrik Huisman, oud 20 jaren
Johannes Baptista Roffers, oud 16  jaren
Zij zeggen Horst niet anders  te hebben beleedigd dan door het roepen van Bladje Moes, eene uitdrukking, die zoo zij voorgeven Horst hun zoude gezegd hebben zij wel mogten bezigen want dat hij zulks ook wel gedaan had, jong zijnde.-

Johannes Herskamp, oud 18 jaren en Gabe Hoekstra oud 15 jaren beiden aangeklaagd van den ondermeester A. Walter op weg te hebben uitgescholden, willen hunne schuld ontveinzen, door te zeggen, dat zij den ondermeester niets anders hadden verweten, dan dat hij met een jongetje van kolonie N 2 bij de kerk had gevochten.-

Jacobus Seelenhorst oud 51 jaren beklaagt zich over verregaande beleediging door scheldwoorden hem aangedaan door den kolonist Albert Klaver, waarbij deze weigerde om meer dan een lamp met olie te vullen voor het werken in de bakkerij er bijvoegende dat Frans Nak er mede toe kwam en dat hij Albert Klaver, zelfs drie lampen toe gebruikt had en dat zulks ongeregeld was en hij het toch ook wel met dezelfde olie kon doen, die Nak in eenen nacht verbrandde.-
Albert Klaver oud 39 jaren wordt deze aanklagte voorgelegd en weet de man daarop niet anders in te brengen, dan op woesten toon te zeggen dat Frans Nak een strooplikker is en Anthony Hartgers een valsche getuige.-
Als getuigen zijn gehoord:
den kolonist Frans Nak en een bestedeling Anthony Hartgers, die beiden verklaren, dat de zaak zich heeft toegedragen, zoo als ze door Baas Seelenhorst is opgegeven.-

Waarvan procesverbaal, om te worden ingediend aan de Raad van policie en tucht in de gewone kolonien.-
Gedaan te Frederiksoord den 2 Februarij 1838
H. Faaken
J. Uhl
J. Mulder
J. H. Veldmeijer
M. Smit, secr


Bijlage 5: Brief van kolonist Johann Heinrich Horst

Deze brief van Horst is in een af-grij-se-lij-ke hanepoot, en daardoor nauwelijks leesbaar, ook door de overdosis germanismen die er in staan.

Saderdag de -25-November 1837

????? Aan den Agtbaren Raad Toezigt.
Laastleden dienstdag de 21—dezer tegen?? het 9 uur gaan ik van mijn heus na de Wijkmeester
ig zaag een schoet met meest voor de nieuwe weg lieggen ob een Paard???? en na dar beij gekommen zijnde zo zag ik dat zeij zig in gereedheit maakten um meij wat uit te jouen dog ik zeijde vreindelijk guede morgen en zij bekonnen de schrewen de eene al harder als de ander – bladgemuuns ????? mindem – brempelges en zo voord ik gaan voort tot meijn Weijkmeester Krool en verhalte hem dit voorval die zeijde dat heij dar niet an doun konde en ik muste dog weer de weg:
en ig zaag dat het weer zo worden wilde ik vragde naden ??????? maar die endweek mijn vraag –
Een Het geschreew der jungelingen nam de overhand en zeij schreewten als verschurende dieren –
degen meij een hat ik niet aan de overzijde gestaan zeij zouten mij wel in het aangezigt gespoegen hebben Reum-s-????-
nader hand gaat mijn oute heusvrouw na de winkel zij musste dar vorbeij en het geheul en geschreew  ???? als met mij- en dan nog wilde eene ennuw hebben.

Wij bezlooden um uns an den raad de wenden en um helb de schmeken en dat met Reeden van andrang zo als volgt in den daagen van den ProVet Eeliza Reijstte heij door eenen stad en buiten die stad gekommen zijnde zo waaren dar um drent 04 Jungelingen an het speelen en deeze saagen den ???? deze man hat een kaal hoofd van ouderdom; en de junges haalden een geruee en een geschreeuw oob kaal koob gaad ob kaalkob gaat oob kaalkob gaat ob en zo voord Debrovet liet derston twee welte beeren eut het bos kommen die verschuerden 7 junge en de ?boog……???? jaagde de beeren weeder de weg

Een ander voorval de heiligge abbosdelen rijstden door een stad met hun -2-eenen dienstmagt die een waarzeggende geest hat stoond aan de poord du zij de mannen zaag lieb zeij en de stad en rieb rieb de heilige mannen zijn gekommen En zij hield aan met ???? dat verveelde de abbostelen en zeij nahmen har den geest van waarzeggen af de magt voulte dat zij gestraft was en zweg stil en waas ????? um dat deze heilige mannen straf geufferd??? hebben, zo verzuk ik en mijnne Vrouw ook straf aan die boosdoeners.

J. H. Horst

Mij burman Van der Meer mut voor zig selbst spreeken.


Bijlage 6: Aanklacht door kolonist Johann Heinrich Horst

Deze aanklacht is in een veel netter handschrift en dus blijkbaar door een derde voor Horst geschreven.

Rapport van aanklagt, gerigt aan de Heeren Leden, uitmakende den kleinen raad der gewone koloniën.

Op dingsdag den 21e dezer maand, begaf ik mij van mijn huisselijke belangen naar den wijkmeester Krol. tegen over de Wed Baas gekomen zijnde, werd er aan de zoogenaamde nieuwe weg, ene praam met mest gelost; daar ik naar behooren die werkende personen in de mestpraam eene goede morgen wenschten, werd mij deze door eenigen, met smadelijke en onheusche scheldwoorden beantwoord.

Bij genoemde wijkmeester gekomen zijnde deed ik daarover mijn beklag; dan die antwoorden mij dat hij daar niets aan konde doen; dan weer terug gegaan zijnde, zag ik al in de verte dat het weder op mij gemunt was, daar weder gekomen zijnde; werd ik wederom op diezelfde onheusche wijze behandeld, en nog veel erger dan in mijne heenreis; ik mij niet langer kunnende bedwingen, vroeg ik wie de sectiemeester was, die mijne vraag niet hoorende of niet willen hooren; duurden het schelden en schreeuwen immer voort; en vervolgende mijnen weg naar huis.

Ruim een uur na dien tijd ging mijne oude huisvrouw naar de winkel, en haar overkwam van dezelfde jongelingen ook dezelfde bejegiging, mijne vrouw mij zulks verhalende; besloten wij ons geval aan bovengenoemde raad mede te deelen; en tevens aan denzelven vriendelijk te verzoeken, dat er middelen mogten in het werk gesteld worden, dat toch oude lieden, door Kwade Jongens, vrij en onverhinderd hunne weg moge passeren.
Daar aan geenzins twijfelende
Heb ik de eer mij met achting te noemen UWEd Dvaardige Dienaar,
Horst met 2. onderteekenaars zijn
Frederiksoord 25 Nov. 1837


Dwars op de brief is in een ander handschrift geschreven:
Hilkemeijer moet de sectiemeester geweest zijn, onder wiens opzicht de praam gelost is. Gesteld in handen van den Kleinen Raad bij Kol 1 om de zaak te instrueren enz
van der Meer doet dezelfde klagte

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 12 maart 1838 N30, invnr 470

Notities bij het zittingsverslag