Raad van Policie en tucht in de Gewone Kolonien,

op den 3e Juny 1843


Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt gelezen een Proces-verbaal van den raad van toezigt van Kolonie N3, van den 2 dezen maand houdende beschuldiging. -

1. tegen Geertje, dochter van den Kolonist A.van Galen, welke door onzedelijken omgang met Paulus, zoon van de Wed Jansen in eenen zwangeren toestand verkeert. Het is de Raad gebleken dat beide den 29e April jl reeds zijn gedeserteerd, waarom zij dan ook niet voor denzelven zijn verscheenen.
                                
De Raad gelet op Art.2 § d en f en Art.3 § 2. van het Reglement van Tucht, waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd, naar de Ommerschans, op dat misdrijf is gesteld. -

Besluit:

Beide, zoo zij terug mogten komen, voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans.



2. tegen P. Middelham, wegens tekortkoming op zijne producten van den oogst van het vorige jaar, met nog een aanzienlijk tekort op zijne aardappelen, die hun voor consumptie waren verstrekt.
De beschuldigde, binnen geroepen zijnde, verschijnt met zijne vrouw, welke beide te kennen geven dat het zaad niet goed uit het stroo zoude zijn gedorscht.
De getuigen K. de Vries en de huisvrouw van van den Berg verklaren beide grond te hebben om te geloven, dat door Middelham rogge was verkocht, toen zij gezien hebben, dat er een zak vol door de heide was weg gevoerd.

De Raad in aanmerking nemende, dat het huisgezin ongeschikt is, voor de gewone kolonien, kunnende men het beter hunnen hoeve niet aan hun toevertrouwen en daarbij gelet op Art.3 § k van het Reglement van Tucht, waarbij overplaatsing onder arbeiders huisgezinnen te Veenhuizen op die verkeerdheden is gesteld.

Besluit:

Het huisgezin van P. Middelham voor een onbepaalden tijd te verwijzen onder de arbeiders kolonisten te Veenhuizen; waarop de goedkeuring van de Heeren Hoofdambtenaren zal worden ingewacht. De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



3. tegen den kolonist J. Rutten, welke alsmeede een aanzienlijk tekort heeft op zijnen oogst van het vorige jaar. De beschuldigde, binnen geroepen zijnde kan niets tot zijne verschooning inbrengen, zeggende dat hij de koe wat ruimer zoude gevoederd hebben en voor het overige niet wist waar het gebleven was.
 
De Raad in aanmerking nemende dat dit huisgezin almede zeer ongeschikt is voor de gewone kolonien en daarbij gelet op Art.3 § k van het Reglement van Tucht waarbij overplaatsing naar de arbeiders kolonisten te Veenhuizen op die verkeerdheden is gesteld.

Besluit:

Het huisgezin van J. Rutten voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de arbeiders kolonisten te Veenhuizen, waarop de goedkeuring van de H.H. Hoofdambtenaren zal worden ingewacht. De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



4. tegen de Wed. Jansen, welke almede op haren oogst te kort zoude zijn gekomen. De beschuldigde binnen geroepen zijnde verschijnt de zoon, welke verklaart dat het tekort zoude zijn veroorzaakt door een verkeerde tauxatie.

Het komt den Raad voor dat dit huisgezin het zeer ongelukkig getroffen heeft, daar er bij hetzelve niets nadeeligst te zeggen valt, zij nooit iets van belang te kort is gekomen en men ook niet kan bespeuren dat er iets verkocht is, waarom men

Besluit:

De zoon van de Wed. Jansen met een vermaning heen te laten gaan.



5. tegen Hendrikus, zoon van de Wed. Breek, welke de wijkmeester J. van Agteren zoude hebben beschuldigd van kleeding voor zich te hebben laten maken, waarvan de verdiensten voor rekening van de Maatschappij zoude zijn gekomen.
De Adjunct Directeur verklaart die zaak reeds te hebben onderzocht, zijnde hem uit dat onderzoek gebleeken, dat alles laster was.
Hendricus Breek, binnen geroepen zijnde, wordt met eene ernstige vermaning weg gezonden.



6. tegen de kolonisten D.K. de Vries en J.S. Vormeer, welke turf van den Wijkmeester Hazeloop zouden hebben ontvreemd.
De beschuldigden binnen geroepen zijnde bekennen eenige turf te hebben medegenomen welke voor hun als nachtwachts bestemd waren, doch die zij daarbij bezuinigd hadden.

De Raad gelet op Art 2 § e en Art 3 § 3 van het reglement van tucht, waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer, benevens dubbele vergoeding van het ontvreemde op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

D.K. de Vries en J.S. Vormeer ieder de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, wordende zij van de vergoeding vrijgesteld, daar het ontvreemde van weinig waarde is. De beschuldigden binnen geroepen zijnde wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



7. tegen P. van Bree, welke onderscheidene kleedingsstukken zoude hebben verkocht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, verschijnt de vrouw, daar de man door ongesteldheid niet heeft kunnen komen.
Vrouw van Bree bekent hun misdrijf, zeggende dat zij zich door de ziekte van den man anders niet heeft kunnen redden.

De Raad beschouwt de man als zeer ongeschikt om zijne hoeve te bestuuren, daar hij ziekelijk is en dit huisgezin bezwaard is met 7 zeer jonge kinderen. Verder gelet op Art 2 § k van het reglement van tucht, waarbij overplaatsing naar de arbeiders kolonisten te Veenhuizen op die verkeerdheden is gesteld:

Besluit:

Het huisgezin van P. van Bree voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de arbeiders kolonisten te Veenhuizen, waarop de goedkeuring den HH Hoofdambtenaren zal worden ingewacht. De vrouw van van Bree, binnen geroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gemaakt.



8. tegen Maria Elisabeth, dochter van den kolonist J.D. Adee oud 22 jaren, welke door onzedelijken omgang met Antonius Bolkensteijn, die met drie maanden verlof de kolonien heeft verlaten, in eenen zwangeren toestand verkeert. De beschuldigde binnen geroepen zijnde, is niet verscheenen.

De Raad gelet op Art 2 § f en Art 3 § 2 van het reglement van tucht, waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

M.E.Adee en A. Bolkenstein, zoo de laatste wederom terug mogt komen, te verwijzen, de eene naar de Ommerschans en de andere naar Veenhuizen, waarop de goedkeuring van HH Hoofdambtenaren zal worden ingewacht.



9. tegen Albert van den Wolde, Pieter van den Wolde, Paulus van Eisen, Wilhelmus Hendrikus Wulflink, Cornelis Nicola, Johannes Fellinga wegens het plegen van baldadigheid in de katoenfabriek en tegen de bij den weg gaande vreemdelingen. De beschuldigden, binnengeroepen zijnde, kunnen niets tot hunne verschooning  in brengen.

De Raad gelet op Art 2 § b en Art 3 § i van het reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld, daarbij tevens in aanmerking nemende dat C. Nicola als de meest schuldige is bevonden.

Besluit:

C. Nicola de straf van vijf dagen en al de overigen van drie dagen opsluiting in de strafkamer op te leggen. De beschuldigden binnen geroepen zijnde, wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



10. tegen Leonardus de Jongh, oud 22 jaren, welke den 20 mei is gedeserteerd en te Ommerschans is aangekomen. De Raad gelet op Art b § 2 van het reglement van tucht, waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld
.
Besluit:

Leonardus de Jongh voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans.



Verder wordt gelezen een proces verbaal van den Raad van Toezigt van kolonie N 1 van den 26 Mei  jl, houdende beschuldiging:

1. tegen C. van Os, Hendrik Matena en Johannes van den Brink, allen knechten in de broodbakkerij, welke rogge-meel uit dezelve zouden hebben ontvreemd en mede genomen naar hunne woningen, hebbende de Adjunct Directeur, na gedaan onderzoek in hunne woningen, bij allen meel gevonden. De beschuldigden worden binnen geroepen.

C.van Os verklaart hetzelve met voorkennis van den bakker te hebben medegenomen tot zuurdeeg. J. van den Brink bekent het buiten weten van den bakker te hebben medegenomen om een schoorsteen te beplakken. H. Matena bekent hetzelve ook in stilte te hebben medegenomen tot een pap op steenpuisten.

Het is de Raad bekend dat Matena vroeger meel buiten de kolonien heeft verkocht en later ook ten verkoop heeft aangeboden, terwijl men niet kan geloven, dat C. van Os niet meer meel had mede genomen, dan hem door den bakkersbaas was toegestaan daar er geene reden bestond, om hetzelve zoo danig  te verbergen, dat de Adjunct Directeur het na lang vruchteloos zoeken eerst heeft kunnen vinden.

De Raad gelet op Art 2 § c en Art 3 § 3 van het reglement van tucht, waarbij opsluiting gedurende acht dagen in de strafkamer, of ook wel overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans, naargelang den omstandigheden, op die misdrijven is gesteld.

Besluit:

C.van Os en J. van den Brink ieder de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer en het huisgezin van H. Matena voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans op welk laatst besluit de toestemming van de HH. Hoofdambtenaren zal worden ingewacht. De beschuldigden binnen geroepen zijnde, wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen Willem, zoon van de Weduwe Olij, welke de werkzaamheden, hem door den wijkmeester opgedragen, zoude hebben geweigerd te verrigten. De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, zoekt zich te verontschuldigen, met te zeggen, dat hij begreep, dat een het werk wel af kon.

De Raad gelet op Art 2 § a en Art 3 § i van het reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld:

Besluit:

Willem Olij de straf op te leggen van vier dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem door den President wordt kenbaar gemaakt.


Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord, den 3 Junij 1843
J. van Konijnenburg
C. Hulst
L. ten Broek
Mr. Aspeslagh
H. Hulsbring
J. van Attekum
T.H.P. van Marle (secretaris)


Bijlage 1: Raad van toezicht van Willemsoord 01-06-1843


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie No3
Alle leden zijn tegenwoordig.


Worden binnen geroepen Geertje dochter van den kolonist A. van Gaalen hoeve No 31 oud 21 jaren en Paulus zoon van de Wed.Jansen hoeve Nr 56 oud 23 jaren. waarvan eerstgenoemde door zedelooze verkering met laatstgenoemde zwanger is, zij bekennen hun misdrijf reden waarom hun het toegekend ontslag niet is uitgereikt waarna zij gehuwd en buiten de Kolonie vertrokken zijn.


Daarna wordt binnen geroepen den kolonist P. Middelham hoeve No 100, waarvan deszelfs vrouw komt, door deze kolonist is beneden taxatie ingeleverd,
4.15 Mud Rogge van de 11.49 Mud,
1.61 Mud Haver van de 5.36 Mud,
7.20 Mud Aardappelen tekort op de voeding.

Waarvan een groot gedeelte is verwaarloost en verkocht is, hetgeen dan ook door de buren van den kolonist getuigt wordt, de vrouw staat buiten dien bekent als een koloniste die zelfs ook enig goed van een haar ingedeelde in den bank van leening te Steenwijk verpand heeft.
Zij wil eerst alles ontkennen doch op getuigenis van Vrouw van den Berg hoeve No 101 en den kolonist K. de Vries Hoeve No 102 die haar overtuigen, gezien te hebben dat vreemde van buiten de kolonie, bij avond en ontijdig te nacht van Middelham zijn gekomen, bekend zij wel eens enkel iets in ruil te hebben gegeven.


Nog wordt binnen geroepen den kolonist J. Rutte Hoeve No 105, die tekort komt
8.00 Mud Aardappelen groote,
10.00 Mud Aardappelen kriel van de koe,

beneden taxatie ingeleverd,
2.43 Mud Rogge van de 8.85 Mud en
1.33 Mud Haver van de 1.74 Mud

dat ook vast verwaarloost of verkocht is, waarvan, echter tot op het ogenblik niets ontdekt is kunnen worden.
Rutte geeft voor werkelijk op alles zoo veel te kort zijn gekomen, volgens de taxaties en de Koe teveel kleine aardappelen te hebben gevoerd, dat echter wel onwaarheid zal zijn vooral de Vrouw van Rutten is dan ook wel als niet veel bijzonders bekend.


Wed. Jansen hoeve No 56 wordt daarna binnen geroepen, die te weinig ingeleverd heeft
2.63.2 Mud Rogge van 9.94.5 Mud,
2.95.5 Mud Haver van 4.25. Mud,
en van de voeding van 26 weken 8.52 Mud aardappelen.

Hare zoon Peter oud 21 jaren die voor zijnen moeder was gekomen, omdat zij ongesteld was, zegt dat er werkelijk zoo veel minder Rogge, Haver en Aardappelen verkregen is, en het te kort aan te hooge taxatie is toe te schrijven.
Dat dit niet zo is, als hij voorgeeft, spreekt van zelve doch overigens kan men van dat gezin niet zeggen vroeger tekort zijn gekomen van enig belang, en kan men ook niet van verkoopen of iets dergelijks iets gewaar worden.


Nog wordt binnen geroepen Hendrikus zoon van de Wed. Breek oud 22 jaren hoeve No 72, die gezegd heeft dat den Wijkmeester J. van Agteren voor zich door den kolonist C. de Klein kleeding liet maken en daar voor de gemaakte verdiensten op staat brengt en alzoo door de Maatschappij betaald wordt,
het welk door den Heer Adjunct Directeur en Onder Directeur onderzocht geworden is en gebleken eene onwaarheid te zijn.
H. Breek zegt nu dat Wed. Logeman hoeve No 130 het hem heeft verteld, dat door die vrouw wordt tegen gesproken, en hetgeen ook geen geloof verdiend, daar hij de eenige dan zou zijn tegen wien die vrouw het gezegd zou hebben en hij daarentegen, het vooral als het ?? heeft rond geroepen, terwijl hij zich vroeger reeds meer malen tegen den wijkmeester heeft verzet


Daarna worden binnen geroepen de kolonisten D.K. de Vries hoeve No 23 en J.S. Vormeer hoeve No 45, die nachtwachten zijnde turf van de bult gestolen hebben bij den wijkmeester Hazeloop.
Reeds lang had die wijkmeester hun verdacht gehouden en opgepast, vandaar dat genoemde wijkmeester met den sectiemeester Brands hun bevracht met turf hebben aangehouden.
De Vries en Vormeer met 37 stuks turven.
Zij bekennen hun misdrijf en verklaren dat dit de eerste maal was.


Nog wordt binnen geroepen de vrouw van den kolonist P. van Bree hoeve No 157 die de volgende goederen van het laatste uitgegevene heeft verkocht en verpant als
1 paar Nieuwe Schoenen.
2 Vrouwen Bonte Boezelaars.
1 Vrouwen ?? voerlaken rok.
2 Vrouwen hemden.
2 Beddelakens.

Vrouw van Bree wil eerst alles ontkennen doch verklaart nu het te hebben gedaan in de ziekte van haren man om die daar voor eenige verkwikking te kunnen koopen en beloofd zooiets niet meer te zullen doen.


Maria Elisabeth, oud 22 jaren dochter van den kolonist J.D. Adee Hoeve No 62. die zwanger is door onzedelijke verkering met Antonius zoon van den kolonist Bolkensteijn hoeve No 70 welke den 1e april j.l. met verlof voor drie maanden vertrokken is,
M.E. Adee geroepen zijnde heeft niet willen komen.


Eindelijk worden nog binnen geroepen de navolgenden kolonisten kinderen
Albert van der Wolde hoeve No 93,
Pieter van der Wolde hoeve No 93,
Paulus van Eisen hoeve No 111,
Wilhelmus Hendrikus Wulfink hoeve No 110,
Cornelis Nicola hoeve No 116,
Johannes Fellinga hoeve No 163.

Alle wevers in het weefhuis No 135 die van tijd tot tijd allerhande baldadigheid verrigten en de den weg passerende menschen niet ongehinderd laten gaan, hetgeen onlangs weer gebeurde en door de OnderDirecteur voor het fabrijkwezen gezien werd,
dat zij niet alleen vreemdelingen na scholden en schreeuwden maar ook C. Nicola wierp een van die menschen nog een steen op den rug.
Bovendien wordt door hun slecht katoen geweven, waarvoor zij menigmaal beboet moesten worden.


Leonardus de Jongh oud 20 jaren bestedeling van S Gravenhage is den 20 Mei jl van hier uit hoeve No 41, weggelopen en te Ommerschans aangekomen.


Aldus gedaan te Willemsoord den 1 Junij 1843
J.L. Hoving
A.?. Aspelagh
 J. Klijzing
J. van Agteren
F. de Plot


Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 26-05-1843


Raad van Toezigt
gehouden in kolonie No 1
Vrijdag 26 mei 1843

Al de leden zijn tegenwoordig

Door den Adjunct- en Onder-Directeur is jl woensdag, bij al de bakkers aan hunne huizen onderzoek gedaan, omdat er vermoeden bestond dat er rogge of meel uit de broodbakkerij ontvreemd werd.
Dientengevolge wordt nu voorgeroepen:

- De bestedeling Christiaan van Kooy, oud 24 jaren, en wordt hem gevraagd, of het hem ook bekend is, dat door de andere bakkers rogge of meel uit de bakkerij ontvreemd word, ?? laatste, bij drie hunner wat bevonden is; -
Hij zegt hiervan nimmer iets bemerkt te hebben, alleen herinnert hij zig, dat, omstreeks 14 dagen verleden, C. van Os om een weinig roggemeel van de baas in de bakkerij gevraagd en van hem bekomen had, om daarvan, zoo van Os toen zeide zuurdeeg voor een ziek kind zijns schoonmoeder te maken.

- De kolonist Hendrik Matena, Hoeve N35, bij wien ongeveer een pond roggemeel aan huis gevonden is, en ondervraagd wordt, bekent zonder medeweten van iemand, dat meel ontvreemd te hebben om zoo hij zegt, er pap van te maken voor zijne bloedzweeren.

- Johannes van den Brink, kolonist op hoeve N100, bekent mede het bij hem gevonden roggemeel uit de bakkerij ontvreemd te hebben, om, zoo hij voorgeeft, het te gebruiken bij het behangen van zijn schoorsteen. Overigens zegt hij nimmer iets van ontvreemding door andere knechts ontdekt te hebben.

Rest zitting niet getranscribeerd.


 
 


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag