Raad van Policie en tucht in de Gewone koloniën

op den 8 Februarij 1844


Alle leden zijn tegenwoordig. De nieuw verkozen gemeensmannen:
A. Lucassen
L. Harmeling
en A. Teskens
worden als zoodanig erkend en bevestigd.


Wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van toezigt van kolonie N. 1, van den 11 Januarij JL, houdende beschuldiging

1. tegen de kolonisten zonen Arend Klijnman, Anthonie Aukes, Jan Augustijn en Willem Olie, wegens het plegen van baldadigheid aan de dochter van de in de nabijheid van de koloniën wonende Wed Room.
De Vrouw van den kolonist Tingen wordt als getuige gehoord en verklaart de dochter van de Wed Room te hebben ontzet en geeft als de meest schuldige op A. Klijnman en A. Aukes.
De beschuldigden allen binnen geroepen zijnde, zoeken zich te verontschuldigen.

De Raad gelet op de verklaring van de Vrouw van Tingen en daarbij tevens in aanmerking nemende, dat de dochter van de Wed Room f 2,- schade zoude gehad hebben, zoo wel door het vernielen van hare kleeding als aan verloren geld. Verder gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen  in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld

Besluit:

A. Klijnman, A. Aukes, J. Augustijn en W. Olie ieder de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer en de twee eerstgen: ieder eene vergoeding van f 1,- aan de dochter van de Wed Room uittereiken.
De beschuldigden binnen geroepen zijnde, wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen de kolonisten zoon Pieter Nieuwenhuis en de kolonisten dochter Cornelia Augustijn, wegens onzedelijken omgang met elkander, tengevolge waarvan laatstgen: in eenen zwangeren staat verkeert. De beschuldigden zijn niet verschenen en reeds uit de kolonie gedeserteerd.

De Raad gelet op Art 2 § f en Art 3 § 2 van het Reglement van tucht, waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld:

Besluit:

Pieter Nieuwenhuis en Cornelia Augustijn beiden te verwijzen naar de Ommerschans, zoo zij in de kolonien mogten terug komen, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.



3. tegen den kolonisten zoon Hendrikus Krabshuis, welke hazen strikken zoude hebben uitgezet.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, kan niets tot zijne verschooning inbrengen.

De Raad dit misdrijf als eene ongehoorzaamheid beschouwende en daarbij gelet op Art 2 § a en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld:

Besluit:

Hendrikus Krabshuis de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De Raad acht het wenschelijk dat op dit misdrijf een meer bepaalde gestrenge straf bij het Reglement werd vastgesteld, daar hetzelve meer en meer toeneemt.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: Kan dit ook voor den gew Rechter gebragt worden?



Verder wordt gelezen een Proces-verbaal van dezelfde kolonie van den 24 Januarij JL, houdende beschuldiging:

1. tegen de kolonisten zonen Matthijs van Roij, Adriaen Haverhoek en den bestedeling Hubert van der Meer, wegens het plegen van baldadigheid in de catechisatie, volgens den mede hierbij overgelegden brief van den onderwijzer Uhl
De beschuldigden binnen geroepen zijnde zoeken zich allen te verschoonen, houdende de Raad hun allen schuldig, de eerste, echter, verre weg als de slimste.

De Raad gelet op Art 2 § a en b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld, daarbij tevens in aanmerking nemende, dat M. van Roij reeds onderscheidene malen  voor den Raad is teregtgesteld

Besluit:

Matthijs van Roij acht dagen en A. Haverhoek en H. van der Meer ieder drie dagen opsluiting in de strafkamer op te leggen.
De beschuldigden binnen geroepen zijnde, wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen den kolonisten zoon Abe Hoekstra, welke uit het bosch zoude hebben gehakt, zonder toestemming van de Directie. De beschuldigde binnen geroepen zijnde bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art 2 § e en Art 3 § 3 van het Reglement  van tucht, waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer, benevens dubbele vergoeding van het ontvreemde of verwaarloosde op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

Abe Hoekstra de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, benevens eene vergoeding van f 2,- voor het beschadigde.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Voorts wordt gelezen een Proces Verbaal van dezelfde kolonie van den 2 dezer maand, houdende beschuldiging tegen den bestedeling Gerrit Gerritsen, welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan het misbruik van sterken drank en verpanden van een horlogie van zijnen huisvader, welk horlogie hij echter weder terug heeft bekomen.
De beschuldigde, binnen geroepen zijnde, bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art 2 § c en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld

Besluit:

Gerrit Gerritsen de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Eindelijk wordt nog een proces-verbaal van dezelfde kolonie gelezen van den 7e dezer maand, houdende beschuldiging

1. tegen den kolonisten zoon Johannes Hendrikus Penning, wegens beleedigingen zijne  ouders en zusters aangedaan.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, kan niets tot zijne verschooning inbrengen.

De Raad gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

J. H. Penning de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer en hem tevens in een ander huisgezin over te plaatsen.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen den kolonisten zoon Dirk Klaver welke den adsistent der katoenweverij Cornelis Zuidgeest zoude hebben beledigd
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, kan niets tot zijne verschooning inbrengen.

De Raad gelet op Art 2 § a en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

Dirk Klaver de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



3. tegen den bestedeling Egbert van der Zande, welke den wijkmeester Taatgen zoude hebben beledigd en tevens misbruik hebben gemaakt van sterken drank.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde kan niets tot zijne verschooning inbrengen, alleen zeggende dat hij niet beschonken was geweest.

De Raad gelet op Art 2 § a en Art 3 § 1 van het reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

E. van der Zande de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



4. tegen den kolonisten zoon Cornelis van Ham, wegens onzedelijken omgang met de kolonisten dochter Berendina Deems, tengevolge waarvan laatstgenoemde  zwanger zoude zijn, volgens het mede hierbij gevoegde Proces-Verbaal van Kolonie N. 2 van den 7 dezer maand.
De beschuldigden, binnen geroepen zijnde, ontkennen beide hun misdrijf.
De Raad niet genoeg van hunne  schuld overtuigd zijnde

Besluit:

Beiden heen te laten gaan, tot die zaak nader mogt blijken waarheid te zijn.



Nog wordt gelezen in hetzelfde Proces-Verbaal van Kolonie 2 de beschuldiging tegen Christoffel Vogelzang, wegen onzedelijken omgang met de dochter van den Heer Funcke ten gevolge waarvan laatst genoemde in eenen zwangeren toestand verkeert.
De beschuldigde, binnen geroepen zijnde, blijft zulks ontkennen in tegenwoordigheid van de dochter van den Heer Funcke.
De Raad den beschuldigde niet kunnende overtuigen, besluit hem heen te laten gaan.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: maar ?? ?? de dochter van Funcke?



Voorts wordt gelezen een Proces-Verbaal van kolonie N. 3 van den 6 dezer maand, houdende beschuldiging tegen den kolonist Rhijn Laverman, welke baldadigheid zoude hebben gepleegd aan de woning van den Vrijboer Kuperus.
De beschuldigde  binnen geroepen zijnde blijft zulks ontkennen.
De dochter van Kuperus gehoord zijnde en daarbij tevens in aanmerking nemende, dat hij zich de korting van 60 centen heeft laten welgevallen, houdt de Raad hem voor schuldig.

De Raad gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

Rhijn Laverman de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Eindelijk wordt nog gelezen een proces Verbaal van dezelfde kolonie van den 7 dezer maand, houdende beschuldiging

1. tegen den kolonisten vrouwen van der Hulst en Friess, welke elkander zouden hebben gescholden en geslagen.
De beschuldigden binnen geroepen zijnde en daarbij tevens den zoon van den kolonist Kramer gehoord hebbende, is het de Raad gebleken, dat vrouw Friess vrouw van der Hulst had geslagen en zelfs de muts van het hoofd gescheurd, hebbende vrouw Friess de doek, welke van haar scheen te zijn, terug bekomen.

De Raad houdt vrouw Friess voor schuldig en daarbij tevens gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

Vrouw Friess de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk haar, zij daartoe binnen geroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.



2. tegen de vrouw van den kolonist C. Klein, welke verloskundige hulp zoude hebben verleend bij de vrouw van den kolonist Kok, bij afwezigheid van de vroedvrouw.

De Raad beschouwt deze zaak als niet bij denzelven behorende en ziet hiervan het nadeelige ook niet in, zoo de hulp van vrouw de Klein niet anders wordt ingeroepen, dan in de dringenste noodzakelijkheid, hetwelk nader zal worden onderzocht.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: de Directie had deze zaak wel mogen onderzoeken.


Aldus gedaan in den Raad, te Frederiksoord, den 8 Februarij 1844
C. Hulst
L: ??
A: Lucassen
L. Harmeling
A. Feskens
Van Marle, secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 11-01-1844


Raad van Toezigt gehouden in kolonie N. 1 Donderdag 11 Januarij 1844

Al de leden tegenwoordig zijnde wordt voorgeroepen en gehoord vrouw Tingen van Hoeve N. 64 die verklaart getuige te zijn geweest van het baldadig gedrag van Arend Kleinman, Antonie Aukes, Jan Augustijn en Willem Olie jegens Grietje Room, buiten de kolonie woonachtig, bij gelegenheid dat zij, in den avond van 17 December JL de Godsdienst oefening had bijgewoond, die in de Hoofdschool van kolonie N 2 wierd gehouden, zij hadden haar aan gegrepen en tegen den grond gegooid,
Willem Olie zou gezegd hebben laten wij haar in de vaart smijten, dan kan zij zwemmen als een vischje.

Nu worden achtervolgens gehoord de kolonisten zonen
Arend Kleinman, Hoeve N 70, oud 18 jaren
Jan Augustijn, Hoeve N 52, oud 16 jaren
Antonie Aukes, Hoeve N 72, oud 19 jaren
Tijmen Kooijstra, Hoeve 64, oud 22 jaren,
en Willem Olie, Hoeve N 51 oud 21 jaren
Allen trachten het te doen voorkomen alsof er van deze zaak weinig is, hun betreffende, Tijmen Kooijstra wordt door de overigen beschuldigd als aanlegger en bewerker van alles.

De beklaagde Grietje Room wordt nu zelve gehoord en zegt dat Arend Kleinman, Willem Olie en Toon Aukes de baldadigsten zijn  geweest, deze hebben haar met hun  drieën vastgehouden en tegen den grond gegooid en hebben zij haar vervolgd tot aan de brug bij Kok.
Haren zakdoek is bij die gelegenheid te zoek geraakt en haar oorijzer beschadigd.



Pieter Nieuwenhuis, kolonisten zoon Hoeve 39, oud 20 jaren, voorgeroepen zijnde en deswege ondervraagd, bekent verboden gemeenschap te hebben gepleegd met de kolonisten dochter Cornelia Augustijn van Hoeve N 52, tengevolge waarvan de laatste zich in zwangeren toestand bevindt.-
Cornelia Augustijn is op de gedane aanzegging niet verschenen.


Hendrikus Krabshuis kolonisten zoon Hoeve N 29 heeft hazen strikken uit gezet in de brem, hetwelk hij  vooraf reeds aan den wijkmeester bekend heeft, en aanwijzing gedaan van de door hem uitgezette strikken; nu ontkent hij, bij gedane ondervraging, daaraan schuldig te zijn.-


De Raad onderwerpt het bovenstaande aan dien van Policie en Tucht
Aldus gedaan in den Raad als boven
H. Faaken
J. Mulder
J. Uhl
J. van Attekum
Mensink secretaris


Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 24-01-1844


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N. 1
Woensdag 24 Januarij 1844

Al de leden zijn  tegenwoordig.

Er wordt gelezen een hierbij terug gezonden brief van den school onderwijzer M. Uhl, aan den Heer AdjunctDirecteur, houdende klagte tegen Matthijs van Roij  Adriaan Haverhoek en Hubert van der Meer, wegens het door hun  gehouden ergerlijk gedrag, in de katechisatie op den 15 dezer maand.
Matthijs van Roij, kolonisten zoon Hoeve N 116 oud 16 jaren,
Adriaan Haverhoek, kolonistenzoon Hoeve 124 oud 14 jaren
en Hubert van der Meer,  ingedeelde bij Grollé Hoeve 84, oud 18 jaren, die na elkander gehoord en ondervraagd worden trachten het te doen voorkomen of niet zij, maar andere catechisanten, de schuldigen zijn, als daar is Klaas Westra en Hendrik Penning.



Den raad is ter kennisse gekomen dat op donderdag den 18 dezer maand, door den Heer Adjunctdirecteur iemand betrapt is, die eiken hout uit het bosch, tegen over de Hoeve van de wed Oostmeijer N. 74 sneed of kapte.
Cornelia Oostmeijer die op de weg stond en met den dader in gesprek was, door den Heer Adjunct Directeur gevraagd zijnde, wien zich daar bevond, gaf tot antwoord; “mijn broeder”,-
Thans echter ondervraagd wezende zegt Cornelia Oostmeijer dat het Abe Hoekstra is geweest.
Abe Hoekstra zoon van de wed van der Boom vrijboerin op Hoeve N 54, bekent in den avond van 18 Januarij JL eenige eiken stokken uit het bosch te hebben gehaald om een schapen reepje daarmede  te herstellen.

Aldus gedaan in den Raad als boven en aan dien van policie en Tucht onderworpen.
H. Faaken
J. Mulder
J. Uhl
J. van Attekum
A. Mensink secr


Bijlage 3: Brief van onderwijzer Martinus Uhl


Aan den WelEdelen Heer
den Heere C: Hulst
Adj. Directeur der gewone Koloniën
te Frederiksoord


Frederiksoord, den 20 Januarij 1844
WelEdele Heer!
Met overleg en goedvinden van den WelE: Heer Doorenbos, voel ik mij gedrongen ter Uwer kennisse te brengen, dat Matthijs van Rooij, Adriaan Haverhoek en Huibertus van der Meer, de eerste in de 2de, en de beide laatste in de ?? wijk van Kolonie 1 wonende, zich, den 15 dezer, in de Katechizatie, zeer onstichtelijk en tot ergernis van den ondermeester en den Heer Candidaat hebben gedragen, waarom ik de vrijheid neem UWE. zeer vriendelijk te verzoeken, gemelde jongelingen voor den Raad van Tucht te laten verschijnen, ten einde hen daar te regt te stellen.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik, er nog bij te voegen, dat de eerste zich op de avondschool alles behalve ordelijk en ondergeschikt gedraagt.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn
UWelEd’s onderd. Dienaar
M. Uhl


Bijlage 4: Raad van toezicht van Frederiksoord 02-02-1844


Raad van Toezigt gehouden in kolonie N 1
Vrijdag den 2 Februarij 1844

Al de leden zijn tegenwoordig.

wordt voorgeroepen:

den bestedeling Gerrit Gerritsen oud 41 jaren, ingedeeld bij van Cleef Hoeve N 71, en hem voorgehouden dat hij op zondag middag den 28 Januarij JL  naar den kolonist Hafkamp van Kolonie N 2 is gegaan, om een horloge van van Cleef te laten repareren, in plaats daarvan heeft hij het horloge buiten de kolonie, voor sterkte drank verpand, heeft zich daarin te buiten gegaan, en is eerst den volgenden dag weder te huis gekomen.-
Het horloge heeft hij weder ingelost.-
Hij bekent zijn  misdrijf.

Aldus gedaan in den Raad als boven.-
H. Faaken
J. Mulder
W. Taatgen
A. Lucassen
A. Mensink, Secr



Bijlage 5: Raad van toezicht van Frederiksoord 07-02-1844


Woensdag 7 Februarij 1844
Raad van toezigt gehouden in Kolonie No 1

Al de leden zijn tegenwoordig uitgezonderd den Secretaris, die bij dezen vervangen wordt door Gerhard Wilhelm van Lemel.

Wordt gehoord:

Carolina en Adriana Penning de eerste oud 23 en de laatstgenoemde oud 21 jaren, welke zich reeds vroeger over hunnen broeder Johannes Henderikus beklaagd hebben bij den Heer Directeur der kolonien, dat deze zijne moeder en genoemde zuster Adriana met een etensvork had gestoken, toen zijn vader hem over huiselijke aangelegenheden bestrafte;
zeggen thans dat dit door een ongeluk gekomen is, toen dezen hierover toe kwamen. De moeder heeft door ziekte niet kunnen compareren.
Johannes Henderikus Penning oud 15 jaren, bekent dat hij zijne Moeder en Zuster met een vork heeft gestoken doch niet opzettelijk, zoo als reeds zijne Zusters gezegd hebben.

=

Conelis Zuidgeest oud 28 jaren adsistent op de weverij beklaagt zich over Dirk Klaver, kolonistenzoon waardoor hij onderscheiden malen is Gebrutaliseerd en waartegen de adsistent hem reeds meermalen had gewaarschuwd.
Onder anderen had Genoemde Dirk Klaver bij gelegenheid dat hij twee hevels nam en de adsistent zeide, dat hij er aan een genoeg had deze uitdrukking gebezigd: Dat raakt je niets.
De adsistent zegt dat hij ook dit tegen den Heer ten Broeke, toen laatstgenoemde hem hierover onderhield; had bekend.
Dirk Klaver oud 18 jaren, zegt dat de adsistent hem geen hevels had willen geven, doch er eindelijk twee had uitgenomen, waarvan hij er op vermaning van den Adsistent weder een had ingelegd met de woorden: Ik heb pijn aan je.
 
=

Willem Taatgen (wijkmeester) oud 33 jaren, brengt klagte in tegen den bestedeling vander Zande. Bij gelegenheid dat de laatstgen. hem vroeg of hij overal bandgarden(?) mogt snijden waar hij verkoos en de wijkmeester hem hierop een ontkennend antwoord gaf, had hij hem toegevoegd, dat hij hem zocht dat hij een man zonder verstand was, en begon vervolgens geweldig te vloeken.
Hierop had de wijkmeester hem bij den arm genomen en het huis uit gezet.
De wijkmeester zegt dat de gepleegde brutaliteit het gevolg was van sterken drank, dat hij ook vander Zande onder het oog had gebragt.
vander Zande hierover beledigd zijnde vervoegde zich die avond bij den Onderdirecteur, bij wien hij den wijkmeester aanklaagde hem te hebben verweten dat hij beschonken was.
De onderdirecteur zegt dat hoewel hij niet regt beschonken ook niet zonder drank was.
Vervolgens zeide hij tegen den onderdirecteur dat de wijkmeester een slecht mens was, en hem in de week van 28 Meij - 3 Junij 53½ cent gekort had, waarvan hij nooit iets vernomen had,
hiermede wilde hij te kennen geven, volgens zeggen van den Onderdirecteur, dat de wijkmeester de bedoelde 53½ cent voor zich behouden had. 
Egbert van der Zande oud 49 jaren, zegt dat er tusschen den wijkmeester en hem niets is voorgevallen, dan dat hij hem over het bewuste bandgarden(?) snijden gesproken had en vervolgens had gezegd over het zakgeld zijn regt te zullen zoeken en eindigt met de woorden: Als men een hond wil slaan, kan men een stok vinden.

=

Cornelis van Ham oud 23 jaren, welke beschuldigd wordt van met de dochter van den kolonist Deems van kolonie N2 onzedelijken omgang gehad te hebben, zegt dat dit onwaar en slechts laster is.

Aldus gedaan in den raad als boven
H. Faaken
W.Taatgen
J.Mulder
A.Lucassen
De secretaris bij deszelfs afwezigheid
G.W. van Lemel



Bijlage 6: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 07-02-1844


Raad van Toezicht gehouden in Kolonie N 2 op Woensdag den 7 februarij 1844

Alle Leden present zijnde is voor den Raad moeten compareren Berendina Deems oud 24 jaren Dochter van den Wed Deems bij Haren Zoon Gerardus Deems ossenhouder(?) wonende in den 1e wijk hoeve N 5 en beiden aldaar ingedeeld, Verdagt gehouden wegens zwangerschap van Cornelis van Ham, zoon van den kolonist van Ham wonende op kolonie N 1 met wien zij verkeert.
Voorn: Berendina Deems binnen geroepen en haar hierop ondervraagd hebbende.
Heeft zij geantwoord dat zulks bezijden de waarheid is en hier niets van bestond.


Ook is voor den Raad geroepen Christoffel Vogelzang, Oud 27 jaren, Zoon van den vrijboer Wed Vogelzang als wonende in den 2e wijk op hoeve N. 41, verdacht van onzedelijken omgang gehad te hebben met de Dochter van Funcke wonende op kolonie N. 1.
Voorn: Christoffel Vogelzang ondervraagd hebbende, heeft geantwoord wel met haar te zijn uit geweest op ?? 5 Junij JL doch hoegenaamd geene onzedelijken omgang met haar gehad te hebben.

De Raad ?? gesloten, zijnde dit door ons onderteekend,
A. H. Idserda
A. Croll
Elsing
L. Harmeling
Morriën, secr


Bijlage 7: Raad van toezicht van Willemsoord 06-02-1844


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N. 3

Alle leden zijn  tegenwoordig

Wordt binnen geroepen Rhijn Laverman uit hoeve N. 30, oud 25 jaren, die beschonken zijnde, bij den vrijboer B: Kuperus hoeve N. 11, na vooraf geweldig op de deur te hebben geklopt en getrapt, op Zondag avond omstreeks 10 uren, zeggende dat zij hem de deur moesten opendoen;
en op de vraag “wie er was” antwoorde Rhijn Laverman en toen hij tot antwoord bekwam (omdat men hoorde dat hij beschonken was) dat zij hem niet wilde inlaten, vier glazen heeft ingeslagen zoo dat de stukken glas op de tafel vielen;
deze glazen zijn gemaakt en de kosten ad 60 centen van het winkelgeld ingehouden, waartegen hij niets gezegd heeft,
doch, nu hier geroepen zijnde ontkend hij alles; niettegenstaande de dochter van B: Kuperus (die hier gekomen is om  getuigenis te geven, uit hoofde hare vader ziek is) hem genoeg overtuigd dat hij en niemand anders de dader is; -
men houdt het er dan ook voor dat genoemde persoon het wel gedaan heeft, omdat hij dien avond ook bij de Wed Surstedt in huis geweest is, om dien tijd, en bij Kranendonk op de deur geklopt, zonder bij één dezer laatstgenoemde verdere ongeregeldheden te hebben gedaan.

Aldus gedaan te Willemsoord, den 6e februarij 1844
J. Hoving
A. Teskens
J. Verboom
P. ?????
F de Plot


Bijlage 8: Raad van toezicht van Willemsoord 07-02-1844


Raad van Toezigt gehouden in kolonie N 3

Alle leden zijn  tegenwoordig.

Worden binnen geroepen de kolonisten vrouwen Van der Hulst en Friess, die elkander gescholden hebben, voor al wat maar ongepast mag genoemd worden, en eindelijk elkander gekrapt en geslagen.

Vrouw van der Hulst is de oorzaak van deze twist, die had een doek gevonden van een kind van Friess welke doek dat kind verloren had, doch in plaats van dit kind hare verloren doek terug te geven, toen die er om kwam heeft vrouw van der Hulst, dat kind al eerst uitgescholden en gezegd die doek niet terug te willen geven, daarna is vrouw Friess om die doek gegaan en in plaats van die terug te bekomen werd zij ook uitgescholden, deze liet zulks niet zoo gemakkelijk toe als haar kind, waarna die beide vrouwen handgemeen geworden zijn.
Lubbert, zoon van den kolonist Kramer hoeve 160, heeft dit alles getuigd.



Nog wordt binnen geroepen de vrouw van den kolonist C. Klein hoeve N. 127, die de vrouw van den kolonist Kok verlost heeft en wel gisteren avond, niettegenstaande het haar gisteren morgen door den Adjunct-Directeur nog ten strengste verboden was eene verlossing te doen en dat voor de Geëmploijeerde vroedvrouw van Goor overtelaten.

Vrouw de Klein zegt deze verlossing te hebben gedaan om dat vrouw van Goor buiten de kolonie was bij Noordwolde, en den kolonist Kok haar te kennen gaf, dat de wijkmeester hem gezegd had haar te halen, dat zij toen als gelast zijnde door de wijkmeester mede gegaan is, dat dan ook zeer noodzakelijk was, daar de vrouwen Aukes en Friskes, getuigen indien er niet spoedig hulp verschaft was, beide vrouw en kind welligt zouden zijn gestorven.

De wijkmeester van Agteren zegt dat hij Kok geen last gegeven heeft vrouw de Klein te halen, doch dat hij wel al het mogelijke heeft gedaan om vrouw van Goor terug te halen, door iemand met van Goor naar Noordwolde te zenden, om de vrouw te halen hetgeen van Goor eerst niet wilde doen,

het ware dan ook te wenschen, dat de vroedvrouw indien ze weet, dat in de kolonie eene vrouw spoedig hare hulp noodig heeft, zich niet zoo ver van huis begaf of dat hare man anders verpligt werd haar dadelijk te halen, en niet drie uren lang eene  vrouw te vergeefs na hare hulp doet wachten.

Willemsoord, 7 Febr 1844
Hoving
J. Verboom
??????
A. Teskens
F. de Plot



BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag