Samenvatting van de

Raad van Tucht
gehouden te Fredriksoord
den 31 augustus 1860


Deels transcriptie, deels (cursief) samenvatting


Gelezen een procesverbaal van den raad van toezigt van kolonie N1, den 1 dezer maand, waarbij Johannes Leniger, Gerrit Leniger, Jacobus Johannus Stolmijer en Anna Stolmeijer worden beschuldigd peren te hebben gestolen van boomen op ledigstaande hoeven. Vorenstaande is gezien door A. Kleinman en H. Huntelaar die verklaart hebben dat genoemde handeling buitendien verregaande baldadig is verrigt, en Johannes Leniger in deze als aanleidende oorzaak kan worden beschouwd.

- baldadigheid bij ledigstaande hoeves: vergoeding 0,10 en één dag opsluiting

N.a.v. RvT kol 1 van 08-08:
- beschadigen van de tilbury van dr Voorhorst: drie dagen opsluiting en vergoeding 0,50

N.a.v. RvT kol 1 van 28-08:
- een weduwe is een maand gedeserteerd geweest; ze had zich tot het bestuur van haar afdeling kunnen wenden; verder verblijf in de kolonie ontzegd

N.a.v. RvT kol 1 ?? augustus:
- bestedeling van 53 jaar is zaterdag in vergaande beschonken toestand thuis gekomen: 2 dagen opsluiting

N.a.v. RvT kol 1 30-08:
- bestedeling is drie dagen buiten de kolonie geweest; verder verblijf in de kolonie ontzegd

N.a.v. RvT kol 2:
- kolonistenzoon heeft onderwijzer Albertsma mishandeld (in diens eigen huis);


gezien art: 104, litt a en art: 115 § 1 van het reglement van Beheer

Besluit

M. Jasper te straffen met 1 dag opsluiting in de strafkamer


De Raad van Tucht

Gelezen een proces verbaal van den raad van toezigt van Kolonie N: 1 van 20 Junij 1860, waarbij de vrijboer Leniger wordt beschuldigd 16 boonenstokken in zijnen tuin geplaatst te hebben, welke vermoedelijk uit de nabij gelegen bosschen der Maatschappij zullen ontvreemd zijn: daar het bij herhaling blijkt, dat er hout uit de bosschen gestolen wordt.
Leniger wordt daarnaar ondervraagd, en zegt die stokken wetende dat zijne kinderen die ontvreemd hadden, in zijnen tuin geplaatst te hebben, erkennende hij tevens het zijnen pligt was geweest, de kinderen daarover te onderhouden en te berispen, met aanzegging om het ontvreemde te brengen, waar het behoort.

Overwegende dat Leniger in deze meest strafbaar is

Gelet op art: 104 litt f van het reglement van Beheer

Besluit

Den vrijboer Leniger te veroordeelen tot betaling eener geldboete van f 0,50 cent en een dag opsluiting in de strafkamer.


De Raad van Tucht

Gelezen hetzelfde proces verbaal van den raad van toezigt van Kolonie N: 1, waarbij de vrijboer P: Veen wordt beschuldigd op de losplaats van mest, riet, steen enz:  aan de vaart achter zijne hoeve twee mestbulten geplaatst te hebben en verder eene groote oppervlakte grond van de plag ontbloot te hebben.
De vrouw van den beschuldigde wordt in deze gehoord, aangezien Veen door ziekte verhinderd is te verschijnen.-
Op de haar door den Voorzitter gedane vraag, wat aanleiding heeft gegeven, tot deze eigendunkelijke handeling, zegt zij volstrekt niet geweten te hebben dat zij daar aan misdeed.-

Overwegende de aangevoerde gronden van verschooning en overwegende dat P. Veen zich steeds overeenkomstig de koloniale voorschriften  en verordeningen heeft gedragen

Besluit

In deze geene straf toe te passen en de beschuldigde aan te zeggen in het vervolg voorzigtiger te zijn

.

De Raad van Tucht

Gelezen het proces verbaal van den Raad van toezigt van Kol: N: 1 waarbij wordt melding gemaakt van het voorloopig verhoor van den vrijboer C. Oosterveen, die ongeveer 1 ½ voer plaggen gestoken heeft op de hoeve van zijnen buurman, hebbende hij daarvan slechts een kleine (...)

Vrijboer C. Oostervan heeft ongeveer 1 1/2 plaggen gestolen op de hoeve van zijn buurman. Geen straf.

Bestedeling Beringer zonder bekomen verlof de kolonie verlaten. Geldboete 0,50 cent.


De Raad van Tucht

Gelezen een proces verbaal van den raad van toezigt van Kolonie N: 1 dd 27 Junij 1860, waarbij wordt melding gemaakt van een voorloopig verhoor van
Jan van Eijk, Ylke Bakema, Drewes Bakema, vrijboeren kinderen en P. van Midden, kolonisten kind, waarbij bovengenoemden worden beschuldigd op zondag den 24 dezer op de ledigstaande hoeve No. 138 met steenen geworpen te hebben, wordende Y. Bakema beschuldigd op het dak te zijn geklommen en daar met steenen geworpen te hebben hetgeen de opziener Landsbach dien middag heeft gezien.

De vorengenoemden worden naar hun misdrijf ondervraagd. Ylke Bakema zegt op het dak te zijn geklommen en door den schoorsteen met steenen te hebben geworpen. Allen verklaren echter de ruiten niet gebroken te hebben.
Als getuige wordt Landsbach binnen geroepen, welke verklaart zaterdag namiddag de dam van die hoeve gepasseerd te zijn, zijnde die hoeve toen onbeschadigd, terwijl hij de volgende zondag middag aan dit huisje 5 gebroken glas ruiten heeft gevonden, terwijl die jongens op den dam met steenen wierpen.

Overwegende dat het hiervoor gemelde in verband tot de afgelegde verklaring van den getuige Landsbach voldoende de schuld der genoemde jongens bewijst.

Overwegende dat dit enkel aan baldadigheid moet worden toegeschreven, en de ondervinding dagelijks laat zien, dat meesttijds op onbewoonde hoeven het geval is.’

Gelet op art: 104 litt f, waarbij dergelijk misdrijf wordt omschreven, en art: 105 § 4, waarbij de straf wordt bepaald voor dergelijke overtredingen.

Besluit

Ylke Bakema te straffen met betaling eener vergoeding van 15 cents en een dag opsluiting in de strafkamer en de anderen mede ieder 15 cents  aan schade vergoeding


Bestedeling Daniel Poelstra wegnemen van een handvol rogge. Een dag opsluiting.

Onzedelijke omgang van C.M. Zandwijk en J. Bakker. Niet verschenen.

Vier jongeren wegens baldadigheid aan ledige hoeve in Wilemsoord, twee dagen opsluiting, geen boete wegens onmogelijkheid de schade te bepalen.

Nog meer jongelui en iets met een ledige hoeve.

Kranendonk, onbetamelijk en lasterend uitgelaten over de Maatschappij op de Dievermarkt. Twee dagen


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 3283

Notities bij het zittingsverslag