Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.

Zitting van Donderdag den 5de Maart 1846.-

Verschijnen voor de zelve

Pieter Bakker N 3310. schuldig aan het verkopen van een paar kousen een doek en een broek voor de 1ste maal.

Willebrordus Buising SK N. 26. schuldig aan het verkopen van een hemd 2e taille voor de 1ste maal.

Andries Johannes Fredenstein N. 2588. schuldig aan het verkopen van een broek 2 paar kousen en een doek en wel aan de kolonist Jan Schultz N 224. een broek en een paar kousen, gemelde kolonist wordt insgelijks voor den Raad geroepen en verschijnd, verklarende dat hij voorschreve broek en kousen van Fredenstein gekocht heeft

Christoffel Piet Moullijn N. 557 schuldig aan het verruilen van twee nieuwe voor 2 oude hemden voor de 1ste maal.-

Zij hebben niets tot verschoning in te brengen en weten ook niet aan wien zij gemelde goederen verkocht hebben.-

Men laat hun aftreden

Gezien Art. 13. van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan ambtenaren, aan medekolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting en boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting, de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Door den Raad wordt besloten de Schuldigen te Straffen met Acht dagen opsluiting en dubbele vergoeding, als P. Bakker voor ƒ 7.50 W. Buizing voor ƒ 2.10 A. J. Fredenstein voor ƒ 9.70 Jan Schultz voor ƒ 6.80 en C. P. Moullijn voor ƒ 5.-




ten tweede verschijnen voor den Raad

Harmen Derks Boltje N. 3520

en Johan Hendrik Voorwald N. 3515 schuldig aan poging tot desertie voor de 1ste maal met mede neming van kleeding buiten de aanhebbende kleeding.-

Geene redenen tot verschoning wetende in te brengen worden zij gelast af te treden.-

Gezien Art: 11. van het Reglement van Tucht. luidende als volgt.

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Wordt besloten hun te Straffen met 14. dagen opsluiting om den anderen dag in de boeijen water en brood, en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van Vier maanden.

De Schuldigen worden weer binnen gelaten, en door de Secretaris hun Vonnissen voorgelezen waarna zij aftreden.-

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te dragen, wordt de Vergadering gesloten

Aldus gedaan op dato als boven

Was getekend/ A. Hulst van Roon P. Postema J. Steenbeek, Uhl, Bourlard Borman en Stous, alle Leden van den Raad.-


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag