Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans-

Raad gehouden op Woensdag den 1e April 1846.

Verschijnd voor de zelve de Strafkolonist

Herman Schouman N. 52 schuldig aan ontvluchting voor de 1ste maal.-

Geene redenen tot verschoning wetende in te brengen, wordt hij gelast af te treden.-

Gezien Art. 11. van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Men besluit hem te Straffen voor 8. dagen opsluiting om den anderen dag water en brood en het dragen van een distinctief pak voor 4. maanden




ten tweede verschijnd voor den Raad

Jan Dubbelman N. 4416 schuldig aan het verwonden met een aardappel mesje aan de kolonist W. de Hor N. 605 en het verkopen van een hemd, een Voerlaken broek, en een pr kousen voor de 1ste maal.-

Niets tot verschoning wetende in te brengen en niet wetende aan wien hij zijn goed verkocht heeft, laat men hem aftreden

Gezien Art. 17. van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Belediging van mede kolonisten  door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot viertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.

Idem Art 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan ambtenaren, aan medekolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting en boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting, de drie eerste en drie laatste te water en brood.

De Raad besluit hem te Straffen ingevolge art. 17. voor 8. dagen en ingevolge Art.13 voor 7. dagen opsluiting en dubbele vergoeding ter Somma van ƒ 9.30




ten derde verschijnd voor den Raad

Hendrik Plasmeijer N. 930 schuldig aan het verkopen van een broek

Niets wetende in te brengen, laat men hem aftreden

Gezien Art 13 van het Reglement hier voren omschreven

Wordt besloten hem te Straffen met Acht dagen opsluiting en dubbele vergoeding ad ƒ 4.60.-

De Schuldigen worden weer binnen gelaten, en door de Secretaris hunne Vonnissen kennelijk gemaakt, waarna zij aftreden.-

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te stellen wordt de Vergadering gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

Was getekend/ A. Hulst van Roon P. Postema  Blijstra Uhl Borman en Stous, alle Leden van den Raad


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag