Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.

Zitting gehouden op Vrijdag den 1e Mei 1846.-

De Leden zijn tegenwoordig de vergadering wordt door den Voorzitter geopend.

Verschijnen voor de zelve

Emmo Berg N 2263. schuldig aan het verkopen van een broek, een hemd een doek en twee paar kousen, alsmede poging tot desertie voor de 1ste maal., met mede neming van een Laken, het welk hij almede heeft weggedaan en wel voor de 2e maal.

Rut Giele N. 2428. schuldig aan het verkopen van een buis, een broek 2 paar kousen en 2 hemden 2e taille voor de 1ste maal

Kleijs van Eijk N 3468 schuldig aan het verkopen van een broek en 1 pr kousen voor de 1ste maal

Gerrit Westdijk N. 2937 schuldig aan het ontvreemden van een plank uit de timmerwinkel waardig 16 Cent de welke hij verkocht heeft aan de kolonist Barend van den Berg N 4948. welke mede voor den Raad verschijnd, en zijn feit bekend, als mede de kolonist Hendrik Bunschoten N 608 schuldig aan het verkopen van een broek voor de 1ste maal.-

Geene de minste verschoning wetende in te brengen, en ook niet kunnende opgeven aan wien zij gemelde goederen verkocht hebben, worden zij gelast af te treden.-

Gezien Art: 11. & 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Art. 13

Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan ambtenaren, aan medekolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting en boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting, de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Wordt besloten hun te Straffen als:


voor dubbele vergoeding voor opsluiting
E. Berg ad ƒ 14.60 22. dagen
R. Giele ad ƒ 20.70 8 dagen
K. van Eijk ad ƒ 6.80 8 dagen
G. Westdijk ad ƒ - .32 4.dagen
B. van den Berg ad ƒ -.32 4.dagen
H. Bunschoten ad ƒ 4.60 8 dagen



ten tweede verschijnen voor den Raad

Ludovicus van der Saar N. 2100 schuldig aan poging tot desertie voor de 1ste maal door de Veldwachters weer terug gebragt.-

Johan Hendrik Voorwald N 3314 schuldig aan desertie voor de 2e maal.
Niets wetende in te brengen laat men hun aftreden.

Gezien Art 11. van het Reglement hier voren omschreven

Door de Raad wordt besloten hun te Straffen als L. van der Saar voor 8. dagen opsluiting en J. H. Voorwald voor 14. dagen opsluiting om den anderen dag water en brood en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van 4. maanden.-

De Schuldigen worden weer binnen gelaten en door de Secretaris haare Vonnissen kennelijk gemaakt waarna zij aftreden en ter opsluiting weg
gevoerd.-

Niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen wordt de Vergadering gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

(Was getekend A. Hulst van Roon P. Postema J. Steenbeek, Borman Uhl Beuming en Stous, alle Leden van den Raad.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag