Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.

Zitting gehouden op Zaturdag den 6e Junij 1846.

De Leden zijn tegenwoordig de President opend de Vergadering

Verschijnen voor de zelve

Gerrit Klein N. 336. schuldig aan desertie voor de 1ste maal.

Pieters Paulus N. 3264. schuldig aan poging tot desertie voor de 1ste maal

en Pieters Andels de Groot N. 1388 schuldig aan desertie voor de 1ste maal met medeneming van Kleeding Stukken buiten de aanhebbende Kleeding.

Geene redenen tot verschoning wetende in te brengen, laat men hun aftreden

Gezien Art: 11. van het Reglement van Tucht luidende als volgt.-

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.

De Raad besluit hun  te Straffen als G Klein en P. Paulus, voor Acht dagen en P. A. de Groot voor 14. dagen opsluiting, alle te water en brood om den anderen dag, en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van Vier maanden.-




ten tweede verschijnen voor den Raad

David Jan Veenstra N 2873 schuldig aan het verkopen van een broek, een hemd en een paar kousen voor de 2e maal en

Anna Geerts Karsten N 5312 schuldig aan het verkopen van zijn broek, zeggende de zelve verloren te hebben.-

Zij hebben geene redenen tot verschoning in te brengen.-

Men laat hun aftreden.

Gezien Art. 13. van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan ambtenaren, aan medekolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting en boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting, de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Door den Raad wordt besloten de Schuldigen te Straffen, als J. Veenstra dubbele vergoeding ad ƒ 9.30 en opsluiting voor Veertien dagen, en A. G. Karsten dubbele vergoeding ad ƒ 4.60 en opsluiting voor Acht dagen.-

Men laat de Schuldigen weer binnen komen, de Secretaris leest hun de geslagen Vonnissen voor waarna zij aftreden, en ter opsluiting weg gevoerd.

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te stellen wordt de Vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was getekend/ A. Hulst, van Roon P. Postema J. Steenbeek, Blijstra Bourlard Uhl en Stous, Leden van den Raad.-


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag