Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.

Raad gehouden op Zaturdag den 1e Aug. 1846

Daar alle Leden tegenwoordig zijn opent de voorzitter de Vergadering

Verschijnen voor de zelve

Franciscus Vrijdal SK N. 32. schuldig aan desertie voor de 2e maal
en Jacobus Theodorus Johannes Buijen N. 283. schuldig aan desertie voor de 3e maal.

Niets wetende in te brengen laat men hun aftreden.-

Gezien Art: 11. van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Door den Raad wordt besloten de Schuldigen te Straffen met 14. dagen opsluiting om den anderen dag in boeijen te water en brood, het dragen van een distinctief pak voor 4. maanden en J. T. J. Buijen met 30. rietslagen nog daar enboven




ten tweede verschijnd voor den Raad

Johan Heinrich Gustaaf Lodewich Wilhelm Frenné N. 3762. schuldig aan ontvluchting voor de 1ste maal, met mede neming van alle zijne Kleeding Stukken.

Hij heeft niets tot Verschoning in te brengen.-

Hij wordt gelast af te treden

Gezien Art. 11. hier voren omschreven.

Door den Raad wordt besloten den Schuldige te Straffen met 14. dagen opsluiting in boeijen om den anderen dag  en te water en brood en het dragen van een distinctief pak voor 4. maanden.




ten derde verschijnd voor den Raad

Willem van Bohemen N. 506. schuldig aan het verkopen van drie paar kousen en een koffij keteltje

Niet wetende aan wien hij gemelde goederen verkocht heeft, en geene redenen tot verschoning wetende in te brengen, laat men hem aftreden.

Gezien Art 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt.-

Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan ambtenaren, aan medekolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting en boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting, de drie eerste en drie laatste te water en brood.

De Raad besluit hem te Straffen met dubbele vergoeding ad ƒ 7.30 en 8. dagen opsluiting om den anderen dag water en brood.-

Men laat de Schuldigen weer binnen komen en door de Secretaris de Vonnissen kennelijk gemaakt waarna zij aftreden

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gesloten

Aldus gedaan op dato als boven

Was getekend/ A. Hulst van Roon P. Postema, J. Steenbeek, Uhl, Blijstra Borman en Stous, alle Leden van den Raad.-


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag