Raad gehouden op Zaturdag den 14. November 1846.-

De Leden zijn tegenwoordig de President opent de Vergadering.-

Verschijnen voor de zelve

Willem van Bohemen N. 506. schuldig aan het verkopen van 2. paar kousen en een doek 2e maal

Jacobus Bruggeman N. 972. schuldig aan het ontvreemden van een paar kousen welke buiten de Zaal te drogen hingen, en op de daad werd betrapt.

en David Hofland N. 3680. schuldig aan het verkopen van een Broek een doek en een Beddelaken.-

Zij weten niets ter verschoning in te brengen, ook niet aan wien zij de goederen verkocht hebben.-

Gezien Art: 13. van het Reglement van Tucht, luidende als volgt

Ontvreemding, verwaarlozing, beschadiging of verpanding van goed aan de Maatschappij, aan ambtenaren, aan medekolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande, uit het tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting en boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag, en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting, de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Door de Raad wordt besloten hun te Straffen, als

B. van Bohemen met 14. dagen opsluiting om den anderen dag water en brood, en dubbele vergoeding ad ƒ 5.10

J. Brugman met 6 dagen opsluiting om den anderen dag water en brood en dubbele vergoeding ad
 ƒ 2.20 en

L. Hofland met 14. dagen opsluiting om den anderen dag water en brood en dubbele vergoeding ad
ƒ 7.70




ten tweede verschijnd voor den Raad

Harm Schouwman N. 5241. schuldig aan poging tot desertie voor de 4e maal.

Geene redenen tot Verschoning wetende in te brengen, laat men hem aftreden.-

Gezien Art: 11. hier voren

De Raad besluit hem te Straffen met 14. dagen opsluiting om den anderen dag water en brood, en het dragen van een distinctief pak voor 4. maanden.-



ten derde verschijnd voor den Raad

Johannes van Dijk N. 5251. schuldig aan verschrikkelijk vloeken onder zijn werkzaamheden.

Niets tot Verschoning wetende in te brengen, wordt hij gelast af te treden.-

Gezien Art: 16. van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden  door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.

De Raad besluit hem te Straffen met 3. dagen opsluiting.-

Men laat de Schuldigen weer binnen komen en door de Secretaris hun Vonnissen kennelijk gemaakt.-

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te Stellen wordt de veergadering gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

Was getekend/ A Hulst van Roon J Steenbeek Bourlard de Bruin Borman Uhl, Blijstra en Stous Leden van den Raad.-


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1623

Notities bij het zittingsverslag