Proces verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen & Verlatene Kinderen bij het 1e Etablissement te Veenhuizen Vrijdag den 12e February 1830

De Raad door de President geconvoceerd zijnde waren alle Leden tegenwoordig behalven den Onder Direkteur Buiten H Kuipers.

Door de President word aan den Raad voorgelegd eene aanklagte van den Onder Direkteur der Fabriek tegen de wees Hendrik Lenting uit zaal 9&10 en welke zich zouden hebben schuldig gemaakt aan het mede nemen van Sayet, aan de fabriek waarop hij werkzaam was toebehorende.

De Raad heeft de beschuldigde voor Zich doen komen teneinde denzelve hierover te hooren.

De beschuldigde heeft verklaart dat de tegenover hem ingebragte beschuldiging de waarheid conform is, en de Sayet verkogt te hebben aan de wees Joseph Groen mede uit zaal 9&10 die zulks mede aan den Raad verklaart heeft.

De Raad heeft hierop besloten de beschuldigde ingevolge art 8 van het reglement van Tucht te condemneeren tot opsluiting in de Strafkamer gedurende den tijd van drie agtereenvolgende dagen om den anderen dag te water en brood, kunnende de dubbelde vergoeding van het ontvreemde bij opgemeld artl bepaald, niet op hem worden geappliceerd, aangezien hij geen teGoed bij de Maatschappij heeft.

Zijnde deze straf aan den beschuldigde op heden ter Executie gesteld – En is hiervan dit Proces verbaal geformeerd en door de Presente Leden ondertekend.

Gedaan te Veenhuizen de datum als boven.
J. Poelman adj D
L. Vrieze
J.H.Kloekers
Textor onderdir
secretaris T Holsteijn

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618