Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht Veenhuizen

Zitting van Donderdag den 13 Maart 1834


De Raad door den Præsident geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig.-

Door den Præsident wordt ter tafel gebragt eene aanklachte tegen de wees Iempje van Dijk, gedaan door den zaalopziener L. Vrieze, die haar beschuldigd van gepleegde diefstal bestaande in een witte Doek, behorende aan de wees Johanna Staphorst, tevens een paar witte katoene kousen, vier id doeken en een witte boezelaar behorende aan de wees Susanna Staphorst, alle welke goederen zij aan de hier na te meldene weesen had verkocht, Verder is zij door gemelde zaalopziener aangeklaagd van Ontvreemding en Verwaarlozing van haare Koloniale Kleding Stukken.-

De Raad heeft hier op gehoord de wees Elisabeth Sardijn die zegd van de aangeklaagde te hebben gekocht een witte doek voor 30 centen.
Petronella Mol verklaard van haar te hebben gekocht een Doek voor 20 cent.
Johanna Dettingmeijer en Marie Louise Vack. de eerstgenoemde bekend van haar te hebben gekocht een paar witte kousen en doek voor 35 ct. en de laatste een doek voor 10 ct.
De wees Jacoba Montemus verklaart te hebben gekocht een boezelaar voor 30 ct.
De wees M. Tichelaar zegt van de wees in bewaring te hebben een paar schoenen en wel in pand voor aan haar geleende 25 ct.

De Raad heeft vervolgens de aangeklaagde doen binnen staan om haar tegen deze afgelegde Verklaring te horen.-
Zij is in bekentenis gekomen dat zij de boven aangehaalde diefstal had gepleegd en de gestolen goederen aan hier voor aangehaalde weezen te hebben verkogt. Niets ter harer verontschuldiging in te brengen hebbende heeft men de beschuldigde zoo mede de getuigen doen buiten staan om over de aan haar op te leggen Straf te delibereren.

De Raad heeft besloten zoo als dezelve besluit op heden

1e om het ontvreemde aan de eigenaars terug te geven daar die goederen allen door de kopers zijn terug gegeven.

2e Daar er in het Reglement van Tucht geen Straf is bepaald op het kopen van goederen, dewelken of ontvreemd zijn of onder de waarde worden verkocht- de hier voor gemelde kinderen ernstig te vermanen om nimmer deze kwade praktijk meer uit te oeffenen, daar zij voor het door hun gekochte en nu terug gegevene het daarvoor betaalde niet terug ontvangen.-

3e om de aangeklaagde als hebbende Art. 3 van het Reglement van Tucht overtreden vervat bij § 8 . “Ontvreemding, verwaarloozing en beschadiging van eens anders goed of dat der Maatschappij,  tot welk laatste mede gerekend wordt te behooren de eigen kleeding der kinderen en de bij hen in gebruik zijnde koloniale goederen”, waar op de Straf bij Art. 4 is toegekend.
“Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood, en bij herhaling met boeijen aan”.-

te condemneren volgens boven aangehaald reglement tot dubbelde vergoeding van het door haar verwaarloosde (zijnde men genoodzaakt geweest haar op Kleeding oplopende Schuld te verstrekken voor een somma van f 11,40) dus haar 1/3 te goed te debiteren met f 22,80, benevens opsluiting in de strafkamer voor acht dagen om den anderen dag te water en brood.

Den zaalopziener L.Vrieze als aanklager optredende is zijn plaats in deze zitting vervangen door den zaalopziener van der Mey de Bei.
 
En is hier van proces verbaal opgemaakt waar aan de Raad verlangd dadelijke Executie worde gegeven-

Men heeft de getuigen en gecondemneerde doen binnen staan en is na aan hun gedane voorlezing tegen s woordig Verbaal met den H. President en alle de leden der Raad ondertekend.

Op dag en datum als in het hoofd dezes is vermeld geworden-
Poelman, adj. direct.
J. Kluvers, ond. dir. binnen
G.H. Kuipers   
J.H. Kloekers, zaalopziener
van der Mey de Bie, zaalopziener
Coelen, secr.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag