Proces verbaal van het verhandelde bij de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van Saturdag den 2 Mei 1835


Door den President werd aan de Raad te kennen gegeven dat volgende weezen alle beschuldigd zijn van verwaarlozing of ontvreemding hunner kleeding stukken, en wel

Willem Maarten Gorter,
Johannes Danko,
Cornelis Witzier,
Daniel van Boesem,
Jan Maijaart,
Jacob Krediet,
Johannes Kans,
Rijer Kos,
Gerrit den Uijl,
Jan Maarten Bontekoe,
Jan Jans van Heere,
Gerrit de Munnik,
ieder een bij hem in gebruik zijnde Gebrijde Borstrok
en Pieter Gorter twee Gebrijde Borstrokken.-

De Raad heeft de aangeklaagden doen binnen staan om hun hier over te horen.

Bekend hebbende dat zij zich hadden schuldig gemaakt aan verwaarlozing hunner kleeding en alle de aanklacht over een komstig de waarheid zijnde, en niets ter hunner verontschuldiging kunnende inbrengen, heeft de Raad hen doen buiten staan om over de aan hen op te leggen straf te delibereren.-

Daar de aangeklaagden Art 3 van het Reglement van Tucht hebben overtreden vervat bij
§ 8 “Ontvreemding, verwaarloozing en beschadiging van eens anders van goed of dat der Maatschappij, tot welk laatste mede gerekend wordt te behooren de eigen kleeding der kinderen en de bij hen in gebruik zijnde koloniale goederen”
waarop bij
Art 4 van gemeld Reglement is toegekend de straf van
“Dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood, en bij herhaling met de Boeijen aan.”

te condemneren
Willem Maarten Gorter,
Johannes Danko,
Cornelis Witzier,
Daniel van Boesem,
Jan Mayaart,
Krediet,
Johannes Kans,
Rijer Kos,
Gerrit den Uijl,
Jan Maarten Bontekoe,
Jan Jans van Heere en
Gerrit de Munnik
tot opsluiting in de strafkamer voor den tijd van acht dagen om den anderen dag te water en brood en hun ieder in het bijzonder te Debiteren op hun 1/3 te goed bij de maatschappij voor de somma van Drie Gulden en Tien Cent

en Pieter Gorter
tot dezelfde straf van opsluiting en met hem te debiteren voor Zes Guldens en Twintig Cent zijnde voor allen de dubbelde vergoeding van het door hen ontvreemde of verwaarloosde

De gecondemneerden hebbende doen binnen  staan is hun dit vonnis voorgelezen, waar van Proces Verbaal is gedresseerd waar aan de Raad verlangd dat onverwijld Executie worden gegeven.-

Zijnde dit tegenswoordige door den President met alle de Leden der Raad ondertekend, en is de raad gescheiden, na vooraf door den Heer President te zijn geadjourneerd tot eene volgende Zitting.

Gedaan te Veenhuizen aan het 1e Gesticht op dag en Datum als boven is gemeld
Poelman, adj. dir
Laarman, OnderDir
Kuipers, Ond
J. Danens
J. Meijer
L. Coelen, secr.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag