Proces Verbaal van het verhandelde bij de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van Saturdag den 24e October 1835


De Raad door den President geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig,

door den President werden ter tafel gebragt twee aanklagten des eene tegen de wees Barend Waijpert beschuldigd van Doorgaande Onzindelijkheid en

de tweede tegen de wees Antje Indorp beschuldigd van ontvreemding van drie halsdoeken van de weezen Margaretha Mulder (?) en Antonia Sommer(?)

De Raad heeft de eerste aangeklaagde doen binnen staan om hem te horen.
betrapt zijnde dat hij ter verberging zijner verregaande onreinigheid hij van een ander wees een linnen broek had aangetrokken.

Zoo was er niets ter zijner Verontschuldiging in te brengen en zich alzoo aan overtreding van Art 3 hebbende schuldig gemaakt vervat bij § 4 ”Doorgaande Onzindelijkheid” zoo heeft de raad hem doen buiten staan om over de hem op te leggen straf te deliberen

de raad heeft besloten om hem naar aanleiding van het 4e Art van meergemeld reglement hem te condemneren tot te pronk stelling in de zaal gedurende drie middag maaltijden benevens onthouding van de helft van de gewone voeding. als is ???? na aanleiding van het hier omtrent bepaalde.
4. Onzindelijkheid
te pronkstelling in de zaal gedurende den middag maaltijd, van een tot drie malen, benevens onthouding van de helfd van de gewone hoeveelheid voedsel zullende dees de halve portie eerst na den afloop van den maaltijd worden toegediend-

De raad heeft de tweede beschuldigde doen binnen staan om haar te horen, bekend hebbende dat zij aan de misdaad van diefstal schuldig was, vond men niets ter harer Verschoning te meer daar de drie doeken bij haar waren gevonden.

De raad heeft haar doen buiten staan om over de aan haar op te leggen straf te deliberen
daar zij Art 3 van het Reglement van Tucht had overtreden vervat bij § 8 “Ontvreemding, verwaarloozing en beschadiging van eens anders goed of dat der Maatschappij,  tot welk laatste mede gerekend wordt te behooren de eigen kleeding der kinderen en de bij hen in gebruik zijnde koloniale goederen” waarop bij Art 4 van gemeld reglement is toegepast de straf
8 Ontvreemding, verwaarlozing en beschadiging van eens anders goed
Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood, en bij herhaling met boeijen aan-

haar te kondemneren tot opsluiting in de strafkamer voor den tijd van acht dagen om den anderen dag te water en brood benevens dubbelde vergoeding van het ontvreemde ter Som van f. 1,30, Een gulden dertig Cents en haar hiervoor te debiteren op haar te goed bij de maatschappij

en is van deze beide Vonnissen Proces verbaal opgemaakt waaraan de raad verlangd dat onverweild Executie worden gegeven-

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag