Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van Saturdag den 28 November 1835


De Raad door den Heer President geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig.

Door den President werdt ter tafel gebragt eene aanklachten tegen de weezen Johannes Hasseling en Gerrit Jan Simons beschuldigd van moedwilligen braak door overklimming als andersints, aan de Hekken op de binnenplaats.

en tegen Hendrik Faber, Theodorus Robert, Joseph Kesenberger en Frans de Haase beschuldigd van ontvreemden van wortelen de welke waren ingekuild voor de winter.

De Raad heeft de aangeklaagde doen binnen staan om hen hier over te horen-

Na hen ieder in het bijzonder te hebben gehoord, hebben allen bekend dat de aanklagte conform de waarheid was. waarop de raad hen heeft doen buiten staan om over de aan hen op te leggen straf te Delibereren-

Daar zij allen Art 3 van het Reglement van Tucht hebben overtreden en wel in hetzelve aldus omschreven
    En jegens anderen
8. Ontvreemding, verwaarloozing en beschadiging van eens anders goed of dat der Maatschappij,  tot welk laatste mede gerekend wordt te behooren de eigen kleeding der kinderen en de bij hen in gebruik zijnde koloniale goederen
    Zijnde hierop de straf toepasselijk gemaakt vermeld bij het 4e art. van meergemeld besluit en wel bij § 8
    Ontvreemding, verwaarlozing en beschadiging van eens anders goed
Dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood, en bij herhaling met de boeijen aan.

De Raad heeft na aanleiding van dit artikel met meerderheid van stemmen besloten om te condemneren:

Johannes Hasseling en Gerrit Jan Simons tot opsluiting in de strafkamer voor den tijd van zes dagen om den anderen dag te water en brood en hen te debiteren op hun 1/3 te goed voor de somma van Een Gulden en twintig Cent ieder in het bijzonder

en Hendrik Faber, Theodorus Robert, Joseph Kesenberger en Frans de Haase tot opsluiting in de strafkamer voor vier dagen om den anderen dag te water en brood en hen te debiteren ieder in het bijzonder voor Twee Gulden, zijnde de waarde (dubbeld) van het ontvreemde.

Verlangende de raad dat hier aan onverwijld executie wordt gegeven.

Nadat men de gecondemneerden heeft doen binnen staan is dit vonnis hen voorgelezen en na door den President met alle de leden der raad te zijn ondertekend is de raad voor gescheiden verklaard na alvorens door den President te zijn geadjourneerd tot een volgende Zitting.

Gedaan te Veenhuizen, 1e Gesticht, dag en datum als boven is gemeld
J. Poelman, adj dir
Laarman, ond
Kuipers, ond
J: Danens
Meijer

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag