1e Gesticht te Veenhuizen

Proces Verbaal van het verhandelde bij de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij Bovengemeld Gesticht

Zitting van Saturdag den 5 December 1835


De Raad door den President geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig.

Door den President werd ter tafel gebragt eene aanklachte tegen de weezen Evert Evertz en Pieter Mulder de welken gepoogd hadden in stilte de Kolonien te Verlaten.

De raad heeft hen doen binnen staan ten einde hen hier over te horen.
Daar zij op de daad waren betrapt, en derwijl het uit hunne eigene bekentenis bleek dat zij werklijk het Voornemen hadden van te deserteren, zoo zij hier in niet Verhinderd waren geworden.

Daar zij dus Art 3 van het Reglement van tucht hadden overtreden Vervat bij § 2 “ Zich zonder verlof uit de Kolonien te verwijderen” heeft men hen doen buiten staan om over de aan hen op te leggen straf te Delibereren.
Daar Art 4 van meergemeld besluit bij § 2 de straf toekend,  op “Verwijdering uit de koloniën zonder verlof: hetzij die volvoerd en men van desertie terug gebragt is, hetzij die verhinderd is geworden. Opsluiting van een tot acht dagen in de strafkamer, om den anderen dag te water en brood en bij herhaling met boeyen aan”

Met (??) meerderheid van stemmen heeft de raad besloten zoo als dezelve bij deze besluit de aangeklaagde te condemneren tot opsluiting in de strafkamer voor den tijd van acht dagen om den anderen dag te water en brood.

Verlangende de Raad dat aan dit vonnis onverwijld Executie worden gegeven- waarop men hen heeft doen binnen staan en is na aan hun gedane voorlezing dit tegenswoordige door den President met alle de Leden der raad Ondertekend.

Nadat de raad door den President was geadjourneerd tot eene Volgende Zitting is dezelve gescheiden.

Gedaan aan het 1e Gesticht te Veenhuizen op dag en datum als boven is gemeld.
J. Poelman, adj dir
Laarman, onderDir
Kuipers, Ond
Meijer
J: Danens

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag