Notulen van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van Vrijdag den 15 Maart 1844


Present
J. Poelman, President
Leden: A. Textor, G. Kuipers, J. van der Ven door ziekte absent en tijdelijk vervangen geweest door J. Meijer, L. Vrieze
Morriën, Secretaris

De Raad door den president geconvoceerd zijnde waren allen de Leden tegenwoordig.

De president opent de vergadering en maakt aan den raad kennelijk dat bij hem rapport ingekomen is dat er in het Magazijn van Levensmiddelen, Kleeding, Huisraad en Gereedschappen bij dit gesticht door Weezen ingebroken zoude zijn geweest, en daaruit Levensmiddelen en goederen ontvreemd waren.

Op het daaromtrent ingewonnen berigt van den Onder Directeur binnen dat de inbraak en ontvreemding niet meer twijfelachtig is, worden er maatregelen beraamd om door visitatie van de zalen, zoo veel mogelijk de ontvreemde goederen terug te vinden en tegelijk de juiste daders te ontdekken als ook de medepligtigen – daar de aangifte van de vermoedelijke daders slechts door anderen waren opgegeven, zonder daartoe de noodige bewijzen te bezitten.

Bij het noodige en gepaste onderzoek heeft het dan ook mogen gelukken, levensmiddelen en goederen te bevinden in de kistjes der Jongelingen vermeld op den sub No:1 hierbij overgelegden staat.

Vervolgens houdt de president voorlezing in tegenwoordigheid van de beschuldigden en medepligtigen van het over ieder in het bijzonder gehouden verhoor sub No: 2 hierbij, en vraagt hen af, of zij op het voorgelezene ook eenige aanmerkingen hebben te maken,

geene bedenkingen daarop hebbende, gaat de president over hen mede te delen, dat er nog vrij wat verschillende goederen ontbreken, waarvan de bestemming alsnog onbekend is, die noch bij hen of anderen gevonden zijn, waarop nadrukkelijk door den president wordt aangedrongen bekend te maken waar die gelaten of gebleven zijn,

van de levensmiddelen merkt de president op dat die natuurlijk verbruikt zijn, doch de Kleeding stukken, zoo aanzienlijk nog, behoorde men te zeggen waar die gelaten waren,

herhaaldelijk tot deze gevraagde ophelderingen aangedrongen hebbende, blijven zij zich onbewust houden, dat er meerder door hen ontvreemd zoude zijn, dan gevonden is; -

in aanmerking nemende dat van de eerste ontvreemding 7 volle dagen verloopen waren voordat dezelve ontdekt is, toen de 2e gepleegd was, houdt de Raad het voor eene onwilligheid der Jongelingen niet te willen bekennen waar zij die overige goederen gelaten hebben, als ruim tijd gehad hebbende zich daar van te kunnen ontdoen.

De Raad verklaart aan inbraak met ontvreemding van levensmiddelen en goederen in een gesloten Magazijn vertrouwd, schuldig;
de weezen:
Hendrik Jacobus van Heijl N1159
Jacobus Franciscus de Witt, N166
Johannes de Vries, N1555
Christoffel  Voerman, N2015
en Fredrik Karel Haldiman, N905

en aan medepligtigheid van de bovengemelde feiten, schuldig te verklaren door het des bewust, verbergen en aannemen van gestolen goederen
Hendrik Daes, N472
Cornelis Gerardus Blom, N1848
Christiaan Cuno, N2018
en Johannes van der Werf, N1013

Tengevolge dezer uitspraak past de Raad op hen allen toe art: 8 van het reglement van Tucht, zijnde Ontvreemding, verwaarloozing en beschadiging van eens anders goed,

Met 8 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood en H.J. van Heijl met de boeijen aan als herhaling van misdaad, zie proces verbaal van den 10 November 1843,

met dubbelde vergoeding van het ontvreemde ter waarde van f 122.14, en dus ieder op hunne oververdiensten te debiteren voor f 13.57.

In hunne tegenwoordigheid dit proces verbaal voorgelezen zijnde, geeft de Raad bevel  de aan hen opgelegde straf uit te voeren onder opmerking nog tans dat het van het Hoofd bestuur der Maatschappij van Weldadigheid, hen des gevorderd voor den gewone Regter alsnog te kunnen doen teregt staan.

De president vraagt of er van de Leden ook nog zijn, die iets voor te dragen hebben en daarop een ontkennend antwoord bekomende, sluit de vergadering, waar van proces verbaal is opgemaakt, dag en datum als in het hoofd gemeld.
J. Poelman
A. Textor
J. Meijer
L. Vrieze
G. Kuipers
J. F. Morriën


Bijlage 1: Verslag van de afgenomen verhoren


N. 2
Inbraak in het Magazijn, met diefstal van goederen       

Verslag van het gehouden Verhoor in de zaak van het voorgevallene op den 3e en 9den Maart 1844

Beschuldigden:
1. Hendrik Jacobus van Heijl, N1159, geboren den 4 Juny 1824
2. Jacobus Franciscus de Witt, N166, geboren 27 febry 1826
3. Johannes de Vries, N1555, geboren 1 Juny 1824

Op den 3 Maart zijn de beschuldigden in den avond van dien dag omstreeks zes uren, den zolder van zaal 10 opgegaan, twee maal door het dak gebroken en op deze wijze het Magazijn bereikt,
de twee eerste beschuldigden hebben zich beneden in hetzelve begeven en aldaar van een der zijden spek een groot stuk afgesneden ter zwaarte van ongeveer 5 a 6 kilo benevens 2 stukken boter ieder van 1 kilo zwaar en zeven eijeren, gedurende welken tijd, de derde beschuldigde, zich boven op het Magazijn bevond;-

later gezamenlijk boven zijnde hebben zij aldaar nog ontvreemd:
Een buis en broek 2e Taille
Een buis 3e Taille
Twee hemden mans 2e Taille
Een borstrok 2e Taille
Een paar schoenen 2e Taille
Een paar kousen 1e Taille

Gedurende ½ uur bezig geweest zijnde, zijn zij met bovengemelde goederen denzelfden weg terug gekeerd en aldus verdacht:

H.J. van Heijl
Een buis en broek 2e Taille
Een hemd 2e Taille
Een borstrok 2e Taille

J.F.de Witt
Een paar schoenen 2e Taille
Een buis 3e Taille

J. de Vries
Een hemd 2e Taille
Een paar kousen 1e Taille

Het spek, de boter en eijeren hebben zij gezamenlijk gedeeld, ieder even veel.

2. J.F. de Witt
verklaart dat het verhaal door van Heijl gedaan overeenkomstig de waarheid is, hij echter deeld mede, dat het buis hem bij de verdeeling ten deel gevallen en zondag den 10 Maart in het kistje van J. van der Werff gevonden; door den beschuldigden aan hem dien morgen tot gebruik is aangeboden uit hoofde het buis van van der Werff reeds vrij wat gedragen was, die echter de opmerking maakte hoe hij daaraan kwam, dat de Witt ontkennend beantwoorde en hem deed gevoelen daarin te berusten.

J. van der Werff
hierop gehoord, verklaart onnadenkend het buis van J.F. de Witt te hebben aangenomen juist op het ogenblik dat van der Werff naar de kerk zou gaan toen de Witt het hem aanbood; het was regenachtig weder en hij trok het niet aan; intusschen borg hij hetzelve in zijn kistje en zegt dat hij het terug gegeven zou hebben, wanneer hij uit de kerk was gekomen, toen het buis bij de visitatie onder kerktijd  bij hem gevonden werdt.

Cuno in wiens gesloten kistje gevonden werdt spek en een paar schoenen aan de Witt toebehoorende, wist dat het gestolen goederen waren.

3. Johannes de Vries
Heeft op de mededeeling door van Heil gedaan geene aanmerkingen en bekend schuldig te zijn aan alle de tegen hem ingebragte feiten.

Eene gelijke onderneming door van Heil op den 9 maart gedaan van denzelfden aard als die op den 3den, doch toen medeplichtig Haldiman en Voerman hebben van Heil en Voerman zich naar beneneden in het Magazijn begeven en aldaar ontvreemd
5 a 6 kilo spek
3 a 4 kilo boter
7 a 8 stuks eijeren
en 4 kop erwten
weder naar boven gaande hebben zij een buis en broek van de 3e taille mede genomen, als mede onderscheidene soorten van hemden, borstrokken en kousen, met nog een paar schoenen van de 2e taille, zijnde het getal der andere goederen hun onbekend.

1. van Heijl daalde het eerst van de vliering op de bovenzaal neder, blies de lamp in zijne nabijheid staande uit, als bemerkende andere jongelingen in den omtrek om des te ongemerkter de goederen te kunnen  overnemen, vroeg aan Das het sleuteltje van zijn kistje (die ongesteld reeds in zijn hangmat lag) om een boterham in hetzelve te verzekeren –

des anderen daags komt gemelde Das bij zijn kistje en vindt daarin boter, spek, erwten, hemden en een borstrok, volgens zeggen van genoemden van Heil gaf Das toen te kennen dat hij alle deze goederen niet langer onder zijne bewaring wilde hebben, onder vergunning echter tot zoo lang van Heil er zich van ontdaan had, deze goederen daarin bewaard mogten blijven.

Voerman was de eerste diefstal bekend, tot de tweede is hij op aanzoek van het eerste complot overgegaan en bekend de daadzaken en het hem ten laste gelegde deel in den gepleegden diefstal, ook verklaart hij:

dat Das wel degelijk genoegen heeft genomen met het wegsluiten der goederen van Heil ten deel gevallen blijkens de nota van het bij hem bevondene, terwijl Voerman mede verklaart dat J. van Hoorn geheel onbewust is aan de goederen in zijn kist bevonden, hebbende hij onder voorwendsel van een boterham te zullen wegsluiten, de goederen daarin geborgen.

Haldiman de derde beschuldigde in het tweede complot bevond zich op de vliering van Zaal 10 om hen behulpzaam te zijn in het aannemen der uit het Magazijn ontvreemde goederen, daar zijne gestalte niet toeliet om door het latwerk van het dak te komen en de eerste inbraak en diefstal was hem mede bekend zonder een werkdadig deel daaraan te nemen, bij het ontwerpen van het tweede plan door van Heil, de Witt en de Vries gaf Haldiman zijn verlangen te kennen, deel van het complot uit te maken, toen het op de uitvoering aankwam trad de Vries terug en viel Haldiman voor hem in;

Voerman, hierboven genoemd, ook de eerste zaak bewust, kwam voor de Wit inplaats, die echter nog later deel wilde nemen, doch door van Heil werd afgewezen, die zich als aanvoerder stelde en de onderneming dan te groot in getal beschouwde,

intusschen bleven de Wit en de Vries handlangers in het geval;

de tweede partij goederen waren nog onverdeeld, vandaar de bevinding van goederen bij anderen die geen die geen deel hebben genomen, alleen het spek was verdeeld, zijnde volgens verklaring van Haldiman Jan van Hoorn onschuldig en onbekend met de verborgen gestolen goederen in zijn kistje;

terwijl Das de beide gevallen bekend waren, alsmede Kees Blom die goederen voor van Heil onder bewaring had genomen zie daaromtrent de nota van het bij hun ieder bevondenen.

Das verklaart dat hem de beide diefstallen bekend waren, dat hij uit eigen beweging hun behulpzaam is geweest en in het opbergen der goederen op de nota vermeld bij hem gevonden toebehorende aan van Heil en Voerman

Kees Blom
verklaart mede dat het hem bekend was, de goederen voor het aandeel van van Heil aan hem in bewaring gegeven gestolen waren zonder echter aan den gepleegden misdaad deel te hebben genomen.

Jan van Hoorn verklaart onbewust te zijn van het voorgevallene, zie verklaring van Haldiman en Voerman hier voren gemeld;

terwijl Stam als verdacht in arrest genomen, doch onschuldig bevonden, op grond dat niet een der beschuldigden iets ten zijner laste had in te brengen, noch dat hem eenige daadzaken bekend waren, heeft genoemde Stam evenwel medegedeeld, sprekende in arrest met de overigen, dat zij juist het ogenblik gekozen hadden om hunne plannen uit te voeren onder het avond eten om zes uren ten einde door voorwendsel van het een of ander van boven te halen en niet weder te komen als het geschiktste middel om zonder veel opzien het voornemen te kunnen uitvoeren.

Veenhuizen den 15 Maart 1844
De Onder Directeur binnen A. Textor


Bijlage 2: Lijst van bij het onderzoek aangetroffen ontvreemde goederen


No 1
Staat van bij de onderstaanden op den 10e  Maart 1844 bevonden goederen uit het Magazijn ontvreemd, als

H.J. van Heijl N1159
2 Hemden 1e taille
1 paar Kousen

J. de Vries N1555
1 paar Kousen 1e taille

F. K. Haldiman N905
Een stuk spek zwaar 8 oncen

H. Daes N472
Een partij boter
Een partij spek
Een partij erwten
3 vrouwenhemden 1e taille
1 mans borstrok 1e taille
1 idem hemd 1e taille

C.G. Blom N1848
Een partij spek
1 borstrok 2e taille
1 broek 1e taille       
1 buis 2e taille
1 hemd mans 1e taille

C. Cuno N2018
Een partijtje spek en
1 paar schoenen 2e taille

J. van der Werff N1013
1 Buis 2e taille

J. van Hoorn
1 Hemd 1e taille
1 paar schoenen 2e taille
1 Broek 2e taille       
1 paar kousen 2e taille
1 buis 3e taille

De onderdirecteur A. Textor

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1619

Notities bij het zittingsverslag