Extract uit de notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en verlatene kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van Zaturdag den 4e April 1846


Present
C. W. Rensing,  president
Leden    A. M. J. Textor    G. H. Kuipers    J. Meijer    A. v.d. Berg
J. F. Morriën, secretaris,

De Raad geconvoceerd zijnde, wordt door den voorzitter  geopend; de leden waren allen tegenwoordig.

Wordt voorgenomen de desertie van de weezen

Nicolaas Rozie, oud 20 Jaar, van Utrecht, geregistreerd sub N: 231,

Franciscus Theodorus Westerhof,
oud 19 Jaar, van Amsterdam, geregistreerd sub N. 956.

Willem Arends
, oud 21 Jaar, van ’s Gravenhage, geregistreerd sub N. 998

De president beveelt dat alle drie binnen komen om gehoord te worden; doch daar zij geheel het stilzwijgen bewaren en niets ter hunner verschoning hebben in te brengen, wordt bevolen dat zij aftreden.

Gezien artikel 3 van het Reglement van Tucht vervat onder § 2 “zich zonder verlof uit de koloniën verwijderen”, waarop artikel 4 van gemeld reglement de straf bepaald bij sub § 2 ,” Verwijdering uit de koloniën zonder verlof: hetzij die volvoerd en men van desertie terug gebragt is, hetzij die verhinderd is geworden.
Opsluiting van een tot acht dagen in de strafkamer, om den anderen dag te water en brood en bij herhaling met de boeijen aan.”

Wordt gevraagd het gevoelen van ieder Lid in het bijzonder.

In aanmerking nemende, dat Rozie zich voor de tweede maal aan desertie heeft schuldig gemaakt, dat hij en Westerhof grote deugnieten zijn, dat hunne laatste desertie, complot maken is geweest, zijnde er bij gelegenheid van het vertrek van ontslag gangers (jongens) met de Asser beurtman op Amsterdam, 6 jongens weggeloopen, waartoe zij beiden benevens den jongeling Arends behoorde, welke 3 door eigen Politie zijn terug bekomen.

Wordt besloten

De jongelingen W. Arends te straffen met 8 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood, doch N. Rozie en F. T. Westerhof onder goedkeuring van de Permanente Kommissie voor een onbepaalde tijd over te plaatsen naar de Ommerschans, een deels om dat zij doorgaande verkeerdheden begaan, en ander deels om het complot maken eens voorbeeldig te straffen, dat meest alle jaren bij gelegenheid van het vertrek van de ontslag gangers plaats vind.

Men heeft den gecondemneerden doen binnen staan en hen dit vonnis voorgelezen, waarvan dit proces verbaal is opgemaakt, en ondertekend op datum als boven is vermeld.
(was getekend)
C. W. Rensing, president
Leden: A. M. J. Textor, G. H. Kuipers, J. Meijer, A. van den Berg
en J. F. Morriën, Secretaris

Voor Extract Conform
De Secretaris
J. F. Morriën

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1619

Notities bij het zittingsverslag