Extract uit de Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht Veenhuizen

Zitting van Woensdag 31 Maart 1847


Present:
C. W. Rensing, presid.
Leden van den Raad: A.Textor, G. Kuipers, J. Meijer, A.v.d.Berg
J. F. Morriën, secrt.

De Raad door den President bij een geroepen zijnde, waren alle de Leden tegenwoordig.

Wordt voorgenomen de ondervermelde desertien, als van

Barend de Vos, sub N1753
Hendrik Coldewijn, sub N1735
(beide desertie voor de 1e maal)

De Presiddent beveelt dat zij binnen komen om gehoord te worden.

B. de Vos
zegt te zijn ontvlugt omdat hij tegenzin in zijne tegenswoordige verblijfplaats heeft.

H. Coldewijn geeft dezelve reden op als de eerstgemelde.

Gezien het Reglement van Tucht, en wel Art 3 § 2 waarop Art 4 § 2 de straf bepaald van
“Verwijdering uit de koloniën zonder verlof: hetzij die volvoerd is enz.
Opsluiting in de strafkamer voor den tijd van Acht dagen, om den anderen dag te water en brood en bij herhaling met de boeijen aan.”

Met algemeene stemmen wordt besloten de Weezen B. de Vos en H. Coldewijn te straffen met opsluiting in de strafkamer voor den tijd van Acht dagen, om den anderen dag te water en brood, benevens hunne rekening oververdiensten te belasten voor betaalde premie en transportkosten, respectivelijk voor f 4.20.

De bovengenoemden hebbende doen binnen staan, zijn aan hen deze vonnissen voorgelezen, waarna men hun liet aftreden.

Niemand der Leden van en Raad iets meer voor te stellen hebbende, sluit de President de vergadering.

Aldus opgemaakt op datum als in het hoofd dezes is vermeld en ondertekend door
(wgt)
C. W. Rensing, president
Leden van den Raad: A. Textor, G. Kuipers, J. Meijer, A. v.d.Berg
J. F. Morriën, secretaris

voor Copie Conform
De Secretaris, J. F.  Morriën

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1619

Notities bij het zittingsverslag