Discussie over de stevigheid van de strafkamers, zaalopzieners bij het eerste gesticht en de positie van adjunct-directeur Rensing


Brief van de directeur der koloniën aan de gecommitteerde der regering


H 10 Jan 59

  
Frederiksoord, 3 Januarij 1859

Vertrouwelijk

Naar aanleiding van den vertrouwelijken brief van den 14e der vorige maand N 2 heb ik, verleden week, aan het 1e Gesticht te Veenhuizen nader onderzocht het gebeurde laatst in de strafkamers; doch het is mij niet gelukt tot zekerheid te komen, of de scheidingsmuur van een halven steen dikte, dáár, waar die doorgebroken is, zoo dat er een persoon konde door kruipen, te voren reeds in zulken staat was, dat het gat met weinig moeite heeft kunnen worden vergroot. Men heeft mij intusschen verzekerd, dat het gebrekkige aan dien muur kort tevoren was hersteld, maar dat het metselwerk nog niet zoo droog was geweest, of het kon ligtelijk worden verbroken, waarop niet was gerekend.-

Dat er mannen en vrouwen in hetzelfde lokaal zouden opgesloten worden, gelijk UwHWG schijnt te veronderstellen, is niet zoo en heb ik dan ook niet te kennen gegeven.

De overgang van dit Weezen gesticht tot een voor bedelaars kolonisten, moest natuurlijk in een en ander gebreken doen kennen. Zoo is hetzelve nog niet van Veldwachters woningen omringd, om desertie en alle gemeenschap naar buiten voor te komen, waarom het noodig zal zijn, nog een tweede Veldwachters huisgezin als dat van Timmermans hier te plaatsen, naar het welk wordt omgezien, teneinde op het uitloopen langs verschillende wegen voldoende te kunnen toezien.

Zoodra de herbouw van het 2e Gesticht zal zijn volbragt, kunnen de volwassen Israëliten van hier worden terug geplaatst en dan de twee eerste hoekzalen met volwassen mannen bedelaars-kolonisten van bekend goed gedrag en tevens voor den veld-arbeid geschikt, worden bevolkt. Erlangen dezen dan de voeding der Weezen en dus ook avond-eten, tegen over eenige vermindering van het middag-eten, dan is het er voor te houden, dat er steeds genoeg vrijwilligers zich voor de plaatsing hier zullen opdoen, die meer vertrouwd zijn en waarmee het land-werk op den duur zal kunnen worden afgedaan. Tot zóó lang is deze zaak hier niet wel voor goed en voldoende teregelen.

De Onder-brigadier Breek, ofschoon niet zoo goed van gezigt, schijnt anders voor zijne betrekking niet zoo ongeschikt. Hij zegt, even als de Adjunct-directeur en den Onder-directeur, niet te hebben verwacht, noch verondersteld, dat de bedoelde half steens scheidings muur zoude worden verbroken. Bezwaarlijk is het daarom hen daarvoor direct strafbaar te achten.

Wel is het, mijns inziens, waar, dat beide die hoofd-ambtenaren niet die energie bezitten en dien IJver aan den dag leggen, welke noodig is en gevorderd wordt, waarop ik hen en inzonderheid het hoofd van het gesticht, heb opmerkzaam gemaakt, met te kennen gave, dat daarin toenemende verbetering wordt gevorderd en verwacht, zal men over hunne dienst te vreden kunnen blijven en men niet genoodzaakt zijn tot andere maatregelen over te gaan, waarover zij zich telaat zouden beklagen. Dit gevoerd ernstig onderhoud,- ik twijffel er niet aan,- zal wel van eenig gevolg zijn, waarbij ik UwHWG zou aanraden, het gebeurde voor ditmaal te laten rusten.-

De Directeur der Koloniën
J. van Konijnenburg

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 17 januari 1859 N1, invnr 905



Brief van adjunct-directeur Rensing aan de gecommitteerde der regering


B 5 Jan 59

Veenhuizen 3 Januarij 1859

Hoog Welgeboren Heer!

In de vorige week was den Heer Directeur hier, en ons gesprek leide tot het onlangs plaats gehadt hebbende in de strafkamer van dit Gesticht, en ik ontwaarde toen met leedwezen, dat UHWGeb, in het denkbeeld verkeerd, dat het voorgevallene aan pligt verzuim, zelfs van den kant der Plaatselijke Directie zoude kunnen toegeschreven worden.

Ik moet UHWG. hier omtrent inlichten. De beide provoosten, één voor de jongens, en de andere voor de meisjes, zijn twee afzonderlijke appartementen, ieder met eigen ingang, ze zijn door eene halve steens muur van elkander afgescheiden.

Het was mij bekend dat de zolders van die provoosten zwak waren, en toen er bedel. kolonisten van de andere Gestichten naar hier zouden overkomen, ben ik met den onder opziener der Gebouwen Meijer boven op die zolders geweest, en zijn dezelve toen zoódanig voorzien geworden, dat voor het doorkomen geen gevaar meer bestond.

De muur was destijds overal onbeschadigd, doch nagenoeg één maand vóór het bekende geval, werden op een morgen de steenen los gevonden, onder op den grond, op eene plaats, waar de deur, open doende, tegen aanslaat.- Waarschijnlijk was daar tegen wel geschopt, om ze verder los te maken, doch men ontdekte het, vóór dat het een gat werd.

Den onder opziener Meijer heeft daarop dadelijk met een metzelaar dit behoorlijk hersteld. In de eerste dagen heb ik nog eens inspectie daar over gehouden, doch de kalk kwam mij voor goed opgedroogt te zijn.
Op diezelfde plaats nu, heeft den Israëlitischen bedelaars-kolonist die steenen wederom weten los te maken; volgens verklaring van onze politie bediende Breek, die deze plek, sedert de herstelling, dagelijks in het oog hield, was er de vorigen dag niets aan te zien geweest.

Wijders verzoek ik UHWG. mij omtrent iets anders, nog eenige oogenblikken te willen aanhooren.

Op UHWGeb. letteren van den 30 October a.p. waar in UHWG. verlangde, dat ik met den Heer Directeur eens zoude spreken, indien zulks noodig was, over de vervanging van ouder en voor den dienst minder geschikt gewordene Zaalopzieners, heb ik op den 11e November JL. mijne gedachten daar omtrent aan den Heer van Konijnenburg medegedeeld, en voorgesteld om den zaalopziener van der Ven te doen vervangen, op de best mogelijke wijze, omdat hij zoo goed als totaal blind is, en geen toezigt in zijne zalen meer kan houden, daarbij bovendien, als weduwnaar, ook zijn vrouw mist, die anders in meisjes zalen, nog al van dienst konde zijn.

Verders kwam het mij voor, dat den bejaarden Zaalopziener Vrieze, aan de jongens kant, moest ruilen met den jeugdigen zaalopziener Sürsted uit de kleine-kinderen-achter-zalen, bij welk soort kinderen, Vrieze nog wel eenige tijd konde gebruikt worden, zonder dat het dáár achter uit ging; Sürsted die vlug ter been is, was met meer nut bij de grootere jongens en bedelaars kolonisten mannen te gebruiken, doch ik heb hier later, de Directeur niet meer over hooren spreken.

De Zaalopzieners Meijer en Visser zijn ook reeds 70 jaren oud, doch voor den dienst nog goed.

Bij de ééne Veteranen politie bediende alhier, is er dezer dagen nog één bijgekomen, zijnde een gehuurden bedelaars-kolonist van het 2e Gest., evenwel zal er nog wel een derde benoodigt zijn, waartoe ik in deze week, een voordragt zal inzenden;- de grenzen van het 1e Gesticht moet ik dagelijks laten surveilleren. Zoo voor de desertie, als ook voornamelijk voor het binnen smokkelen van verboden artikelen: De andere Gestichten hebben op vele punten wachtposten in hutten, hier zijn  die niet.

De weesmeisjes gaan sedert eenen geruimen tijd niet meer naar het land en blijven binnen in het Gesticht.

UHWGeb zal de laatste nota van het verhandelde met den Directeur inziende, bij art. 7 zekerlijk stilstaan, en vragen, hoedanig dat gezegde van den Directeur kan rijmen, met de verzekering die ik UHWG in dezen geef.
Het volgende strekke tot opheldering.- Er zijn aan de turfbokken een tiental dochters uit de huisgezinnen rondom het Gesticht, wanneer nu des morgens de mannen en jongens de poort uit zijn, volgt dat getal meisjes na verloop van 5 à 10 minuten, doch ze gaan gewoonlijk  niet verder dan de turfbulten waar de bokken leggen.

De Directeur bevond zich in den morgen van den 30 December JL. bij het uitgaan van het volk, op de brug over de 1e wijk, alwaar den Onder Directeur Heidema met de bouwboeren ook waren. Onderscheidene bedelaars kolonisten werden toen aangesproken, dat oponthoud veroorzaakte, en waar door de rij niet avanceerde.

Intusschen was aan het Gesticht de tijd gekomen, dat de 10 kolonisten dochters moesten volgen, hetgeen veroorzaakte, dat ze, bij de brug komende, de mannen nog daar vonden staan, dat andere morgens niet gebeurd, doordien de mannen de poort uitkomende, door marcheren; deze meiden hebben dus wel een oogenblik achter, maar volstrekt niet, onder de mannen geweest.

Ook omtrent die slordige meid, heb ik den vorigen avond den Directeur attent gemaakt, en ZijnEd vele van hare gebreken opgegeven, die vruchteloos gestraft zijn, en onder welke desertie heeft behoort, iets dat onder de meisjes nooit voorvalt; - de Directeur heeft ze dus op de Fabriek opgezocht, zij is bij de ongelukkige van der Ven in de Zaal geweest, doch om het toezigt, bij den zaalopziener Visser overgeplaatst.-

Deze opheldering heb ik noodig geacht op art 7 der nota van het laatstelijk met den Heer Directeur verhandelde, bij deze gelegenheid te moeten geven.
Ik heb de eer met de meeste hoogachting te zijn-

HoogWelGeboren Heer!
UwHoogWelGeb Zeer Ond D Dr
De Adjunct Directeur
Rensing

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 11 januari 1859 N8, invnr 904

Notities bij het zittingsverslag