Weeskinderen bij het derde gesticht Veenhuizen

Vergadering van de Raad van Tucht op den 11 Julij 1841


De president opent de vergadering en de leden zijn allen tegenwoordig.

Wordt voorgenomen de desertie van den bedelaars kolonisten jongen Joh. Lokhof en den wees Maria L: H: van den Berg op den 27 & 29 Junij gedeserteert en op heden terug gekomen, eerstgenoemde met een transport uit de Ommerschans aangebragt, de tweede van zelven, zonder geleide.

De beide opgenoemde deserteurs worden binnen gelaten om gehoort te worden.

Johannes Lokhof kan evenmin als Maria Lamina Hillegonda van den Berg iets ter verschoning inbrengen.

De president beveelt dat zijl. wederom buiten gaan.

Overwegende dat de bedelaars kolonisten jongen Joh. Lokhof reeds nu ten vierden male wegens desertie voor deze Raad  verschijnt, en wel op den 17 December 1839, 25 Junij 1840 en 20 April 1841.

Overwegende dat de wees M: L: H: van den Berg ten derden male wegens desertie thans voor deze Raad verschijnt en wel op den 1e September 1837 en 27 Augustus 1838, dat zij nu dit maal met eenen ontslagen bedelaars kolonist is voortvlugtig geweest die haar heeft mede genomen naar Rotterdam van welke stad zij naar Franeker is gedwaalt alwaar haar famille woonachtig is, die haar tot in de nabijheid van het gesticht, volgens hare verklaring, hebben laten terugbrengen.

Overwegende verder, dat zij met dien ontslagen bedelaars kolonist met name A. P. Erlandson gedurende hare desertie onzedelijk geleeft heeft en dat de gevolgen te duchten zijn.

Gezien art 4 Sub 2 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
“Verwijdering uit de koloniën zonder verlof: hetzij die volvoerd en men van desertie terug gebragt is, hetzij die verhinderd is geworden.

Opsluiting van een tot acht dagen in de strafkamer, om den anderen dag te water en brood en bij herhaling met de boeyen aan.”

Gezien verders art 9 van hetzelfde Reglement zijnde van dezen inhoud
“Bij aldien het blijken mogt, dat geen der voorgeschrevene strafbepalingen voldoende was, om een of ander bij uitstek ondeugend voorwerp van zijne verkeerdheid terug te brengen, zal de Raad van Tucht besluiten tot een voorstel aan de Permanente Kommissie om zoodanig onverbeterlijk persoon uit het Gesticht te verwijderen en in de Ommerschans overteplaatsen, welk voorstel zal moeten geschieden met aanhaling der Notulen, volgens welke hij vroeger zonder vrucht is gestraft geworden“

In aanmerking nemende dat plaatsgebrek te Ommerschans zedert eenigen tijd verhindert, terugplaatzing van bedelaars kinderen te doen, zijnde Lokhof wederom van daar, naar herwaarts gezonden, die op 21 Junij 1840 voor straf was teruggeplaatst.

De Leden worden gehoort en er

wordt besloten

Johs Lokhof op te sluiten in de strafkamer gedurende acht dagen om den anderen dag op water en brood met de boeijen aan en Maria Lamina Hillegonda van den Berg te verwijzen naar het 2e gesticht alhier om voor een onbepaalde tijd onder de bedelaars kolonisten bevolking opgenomen te worden, te meer aan dit Gesticht om dat men van ter zijden vermeent dat de Persoon van Erlandson, bovengenoemd, zich weder te Ommerschans bevind, die aldaar dan zoude moeten verblijven; dit vonnis van M. L. H. van den Berg is uitgesproken onder approbatie van de Permanente Kommissie wiens ap- of emprobatie hier op zal worden afgewagt.

De beschuldigden komen binnen en horen hun vonnis.

De Raad wordt gesloten

Aldus gedaan op dato als boven
De President & Leeden
S. B. Drijber, C. W. Rensing, L. Nijenbandring, R. Smies, J. Damens


Bijlage: Brief van adjunct-directeur Drijber


De famille van M: L: H: van den Berg, in dit vonnis begrepen, interesseert zich sterk voor haar en zoude het bitter vallen, wanneer zij tot de strafkolonie verwezen wierde,- de Raad van Tucht heeft echter in dezen niet anders kunnen handelen.-

een brief van de zuster van Maria van den Berg leg ik hier bij over, haar broeder die Predikant in Vriesland is, heeft haar in den laten avond tot in de onmiddelijke nabijheid van het gesticht van desertie terug gebragt, waarop zijnEd zich wederom stil verwijdert heeft.

Maria van den Berg heeft in den beginne harer aankomst wonderlijke bedrijvingen gehad, waarvan zij echter langzamerhand is gebeterd, zo dat nu niet meer, zo als vroeger, betwijffelt wordt of zij wel in het bezit van goede vermogens is,- haar ontslag is in dit jaar uitgestelt geworden, doch daarop aandringende konde zij vertrekken, zulks is ons echter op den 22e Junij JL kenbaar geworden, daar deze beschikking omtrend haar, abusivelijk aan het 1e gesticht was opgegeven, welk Gesticht verzuimt heeft  ons vroeger daar van kennis te geven.- juist in dezen tijd den 27 Junij daar op volgende is zij gedeserteert en weggegaan met den ontslagen bedelaars kolonist Erlandson waarvoor men reeds vrees had, en het was ook daarom dat wij eerst deze persoon wilden laten vertrekken, alvorens haar kennis te geven van de beschikking omtrend haar genomen, daar zij zulks geweten hebbende op haar ontslag zoude aangedrongen hebben,- thans terug en verwezen zijnde, verzoekt zij te mogen vertrekken, gebruik makende van het bepaalde bij art 4 der Resolutie van den 23 Maart JL N. 30.
Veenhuizen 22 Julij 1841
De Adjunct Directeur
S. B. Drijber

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1622


Notities bij het zittingsverslag