Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Jongens die vaker dan ťťn keer als kwekeling in het Instituut te Wateren zijn opgenomen

Er zijn 31 jongens die vaker dan ťťn maal in het Instituut opgenomen zijn en bij wie dat leidt tot een tweede inschrijving. Sommige hebben het tijdens de eerste keer verknald en zijn voor straf weggestuurd, om later een tweede kans te krijgen. Anderen hebben elders in de kolonie een tijdje gewerkt, als onderwijzer of hoeveknecht, en keren na afloop terug. Het valt niet altijd te achterhalen welk van die twee gevallen speelt.

Vanaf augustus 1833 is er ook de mogelijkheid dat jongeren die vanuit Wateren in militaire dienst zijn gegaan, na het vervullen van hun dienstplicht in het Instituut mogen terugkeren, zie daarover deze pagina.

NB: Deze lijst betreft ALLEEN de jongens bij wie een tweede opname ook leidt tot een tweede inschrijving in de kwekelingenregisters. Ze zijn hier apart gezet omdat ze bij de statistieken van het Instituut apart behandeld moeten worden.
NIET in deze lijst opgenomen zijn jongens die enkele maanden weg zijn maar waarvan geen tweede inschrijving wordt gemaakt, zie bijvoorbeeld Willem Eerhart, Willem Kits en Adrianus van der Linde. En ook niet opgenomen zijn de jongens die het Instituut verlaten en daarna terugkeren, waarbij het helemaal NIET in de kwekelingenregisters is aangetekend, zie bijvoorbeeld het verhaal van Jan Kloosterman, die blijkbaar in zijn geboorteplaats Nisse is geweest als hij terugkeert in Wateren. En zo zullen er meer zijn, maar dat valt niet bij te houden en hieronder gaat het dus alleen om DUBBELE INSCHRIJVINGEN in de kwekelingenregisters.



Adolf Aarse, 15 maart 1825, Rotterdam
Hij komt 11 augustus 1836 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 2029. Hij komt 20 juli 1840 in het Instituut, waar hij het k-nummer 24 krijgt. Hij vertrekt als hij in militaire dienst moet op 12 mei 1845. Het overzicht van in 1845 uit Wateren ontslagen jongens, invnr 322 scan 103-104, meldt: 'Den 12 mei ontslagen voor de krijgsdienst. Is later teruggekomen.'
Die terugkeer is op 26 augustus 1845. Hij is nog niet uitgeschreven als wees dus zijn opname valt nog onder het contract met de Staat. Volgens invnr 1582 krijgt hij dan opnieuw het k-nummer 24, maar volgens invnr 1611 krijgt hij nu het k-nummer 30 en dat past veel beter. Hij gaat tenslotte met ontslag op 24 maart 1846. Na het ontslag is hij volgens het overzicht van in 1846 ontslagen jongens, invnr 339 scan 97, 'in dienst bij de stoombootmaatschappij te Rotterdam'.

Daniel Frederik Arpeau, 5 maart 1815, Heusden
In invnr 1610 wordt zijn naam geschreven als Arpo. Volgens dat register is hij geboren 25 maart 1815 en komt hij uit Kapellen (in BelgiŽ bij Antwerpen), maar wiewaswie geeft 5 maart en Heusden. Hij komt 25 april 1826 in de kolonie via Johannes van den Bosch en gaat bij aankomst meteen rechtstreeks naar het Instituut, waar hij het k-nummer 2 krijgt. Hij is de buiten echt geboren zoon van de in 1823 overleden Anna Susanna Arpeau, een tante van Mina de Sturler, de tweede echtgenote van Johannes van den Bosch (informatie uit De kolonieman). Hij staat op een lijst dd 21 oktober 1828 van kwekelingen die vallen onder de herderlijke zorg van dominee Clinge van Vledder, invnr 94 scans 257-258. Hij wordt 12 april 1833 aangenomen tot lidmaat van de  Hervormde Gemeente te Vledder, invnr 135 scans 510-511. Hij vertrekt om in militaire dienst te gaan op 30 april 1834. Het overzicht van in 1834 vertrokken kwekelingen, invnr 155 scan 291. meldt: 'Den 30 April voor de N.M. opgeroepen en te Groningen ingelijfd.'
In een brief dd 13 juli 1839 stelt de directeur voor om Arpeau en een andere uit dienst teruggekeerde kwekeling weer op te nemen, invnr 213 scan 440. De permanente commissie beslist hierover op 27 juli 1839 N24 en 31 juli 1839 N6. Dat heb ik niet gezien, maar dat hoeft ook niet: Arpeau wordt weer in het Instituut opgenomen op 5 augustus 1839, hij heeft nu het k-nummer 48. Net als zijn eerste opname is dit weer op kosten van de permanente commissie. Volgens het kwekelingenregister deserteert Arpeau op 28 december 1839, maar vreemd genoeg betaalt de Instituteur hem op 1 januari 1840 nog zes gulden van zijn tegoed uit. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij niets over desertie, maar schrijft hij dat Arpeau in 1834 is 'aangeloot in militaire dienst' en later korporaal is geworden en 'in die betrekking is overgegaan tot de mariniers te Rotterdam'.

Hendrik van Dee, 15 februari 1830, Dordrecht
NB: Hij is de enige die DRIE keer wordt ingeschreven als kwekeling.
Hij komt op 15 mei 1841 in de kolonie aan op het contract met de Burgemeesteren der stad Dordrecht, krijgt het B-nummer 180 en wordt ondergebracht in het kindergesticht te Veenhuizen. Vandaar komt hij op 12 mei 1845 in het Instituut, waar hij het k-nummer 54 krijgt. Hij vertrekt als hij zijn dienstplicht moet vervullen op 13 juni 1850.
Hij keert daarvan terug op 22 september 1850. Hij krijgt opnieuw het B-nummer 180 en nu het k-nummer 44. Na een maand, 28 oktober 1850, gaat hij naar Veenhuizen om redenen die ik niet gevonden heb. Al snel, op 21 november 1850, is hij weer welkom in Wateren en wordt hij opnieuw ingeschreven met het k-nummer 44. Uit invnr 1007 het negende mapje blijkt dat hij ergens tussen 1850 en 1852 fungeert als wijkmeester te Wateren.
Tenslotte wordt hij, ook om redenen die ik niet ken, op 9 augustus 1852 vanuit Wateren verbannen naar de strafkolonie op de Ommerschans. Van daar vertrekt hij met ontslag op 28 oktober 1852.

Ernest Christiaan van Eindhoven, 14 april 1824, Middelburg
Hij komt 4 mei 1835 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 193. Hij komt op 4 december 1837 naar het Instituut en krijgt het k-nummer 56. Uit het het zesde mapje met het opschrift '1842' van het personeelsregister met invnr 1007 blijkt dat hij een tijdje werkt als 'schrijver' te Wateren voor É 120,- per jaar. Op 9 april 1844 schrijft de Inspecteur der koloniŽn na een inspectie van het Instituut te Wateren, invnr 290 scan 659: 'Nog acht ik het niet onbelangrijk bij deze gelegenheid te vermelden, dat aan dit opvoedingsinstituut thans onder anderen gevonden worden twee kwekelingen genaamd Ernest van Eindhoven en Everd Peelen die eene zeer goede hand schrijven, en wel aanleg hebben om tot boekhouder te worden opgeleid.' Als voorbeeld noemt hij een bij zijn inspectie-rapport ingeleverde bijlage die door een van beiden is gemaakt.
Van een opleiding tot boekhouder komt het echter niet, Van Eindhoven verlaat Wateren op 22 maart 1845 om zijn dienstplicht te vervullen. Daar is hij al snel mee klaar. Het overzicht van in 1845 uit Wateren ontslagen jongens, invnr 322 scan 103-104, meldt: 'Den 22 maart voor de Nat. Mil. ontslagen; is echter later weder als kweekeling opgenomen.' Volgens invnr 1611 wordt hij 'op grond van het besluit der PC: 14 Mrt 1845 N4' weer ingeschreven op 2 juni 1845. Zowel zijn weesnummer, 193, als zijn k-nummer, 56, blijft gelijk. Hij vertrekt met ontslag op 26 juni 1847.

Johannes Jacobus de Haas, 24 juli 1824, Rotterdam
Hij komt 16 september 1835 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 789. Hij komt 14 oktober 1839 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 4 krijgt. Hij gaat op 1 februari 1841 naar het eerste gesticht te Veenhuizen en de Instituteur schrijft daar later over, invnr 261 scan 461: 'Deze was ziekelijk en de Heer Direkteur der koloniŽn was met ons van gevoelen, dat dit zwakke jongetje aan het 1e gesticht beter verpleegd en van de noodige geneeskundige hulp voorzien kon worden, dan hier. Die terugplaatsing, voor eenige tijd, is dan ook gelukkig uitgevallen; hij is aanmerkelijk beter; en verlangt reeds naar eene wederterugplaatsing.'
Hij komt 9 mei 1842 weer terug in het Instituut, waar hij nu het k-nummer 18 krijgt. Hij wordt ontslagen op 5 april 1845. Het overzicht van in 1845 uit Wateren ontslagen jongens, invnr 322 scan 103-104, meldt: 'Den 5 april ontslagen, en niet geslaagd zijnde in het verkrijgen van eene dienst als bakkersknecht of iets anders, in dienst getreden bij het corps jagers te 's Hage.'

Johannes Wilhelm Hameijer, 1 mei 1820, Den Haag
Hij komt 6 juni 1833 (tegelijk met broer Johannes Teunis en een jongere broer en zus, welke laatste beiden te Veenhuizen zullen overlijden) aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 550. Hij komt 26 mei 1834 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 10 krijgt. Of hij of zijn broer (er staat alleen 'J. Hameijer') krijgt volgens het kasboek december 1838, invnr 204 scans 20-22. É 0,29 'uitschot voor lampkatoen' dat hij blijkbaar ergens moet gaan kopen. Na vijf jaar vertrekt hij als hij op 20 september 1839 in militaire dienst moet. Het overzicht van in 1839 vertrokken kwekelingen, invnr 221 scans 799-800, meldt: 'Den 20 September opgeroepen voor de Nat. Militie.' Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, schrijft hij ook dat Johannes Wilhelm Hameijer in 1839 is 'aangeloot in militaire dienst' en hij vervolgt: 'is afgekeurd en hier voor achttien maanden weder aangenomen'.
Die wederaanname is op 5 februari 1840 en het kwekelingenregister meldt geheel correct 'bevorens N 550 Alg Contract' als hij weer wordt opgenomen in het Instituut en nu het k-nummer 57 krijgt. Hij is uitgeschreven als wees en zou nu dus in Wateren moeten zitten op rekening van de permanente commissie. Hij verlaat Wateren en de koloniŽn als hij met ontslag gaat op 1 april 1841.

Adriaan Hendrikse, 27 september 1810 te Zierikzee, Tholen
Hij komt 15 juni 1823 (met een heleboel Tholense weeskinderen waaronder zijn zus Anna Barbara, die later zal trouwen met een zoon van kolonist Bodenstaff) in de kolonie aan op het contract met de Regenten van het Weeshuis te Tholen en wordt ondergebracht bij kolonisten te Frederiksoord. Mijn aanname is dat hij hoort bij de eerste lichting die op 28 juni 1824 naar het Instituut komt. Daar krijgt hij het k-nummer 26. Hij staat op een lijst dd 21 oktober 1828 van kwekelingen die vallen onder de herderlijke zorg van dominee Clinge van Vledder, invnr 94 scans 257-258. In 1829 krijgt hij het B-nummer 890.
Op 3 oktober 1830 wordt hij 'tot de militaire dienst opgeroepen'. Daar is hij zo'n vijf jaar zoet mee. Uit invnr 121 scan 3 blijkt dat hij tussentijds een keertje met verlof in Wateren is geweest. Hij is terug op 9 mei 1835 en wordt op kosten van de permanente commissie weer opgenomen in het Instituut, waar hij nu het k-nummer 7 krijgt. Hij wordt op 31 juli 1836 overgeplaatst naar hoeve 27 van Frederiksoord, bij het kolonistengezin van Frans Nak. Hij wordt ontslagen als wees op 15 oktober 1837 en wordt dan aangesteld als onderdirecteur-buiten van Wateren. Hij zal zijn hele verdere leven voor de Maatschappij werken, als Wateren in 1860 is opgedoekt, wordt hij winkelier te Willemsoord.

Jan Pieter van Ingen, 18 december 1814, Middelburg
Hij komt 28 maart 1825 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 793. Hij komt vanuit het eerste gesticht te Veenhuizen op 3 oktober 1830 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 14 krijgt. Hij wordt 12 april 1833 aangenomen tot lidmaat van de  Hervormde Gemeente te Vledder, invnr 135 scans 510-511. Hij behoort tot de vier jongens die in de zomer van 1834 'zijn te grasmaaijen geweest, in de Oude Willem, op 2 uren afstand van het Gesticht' en die om dat zware werk te kunnen volhouden 'van hun zakgeld zich spek hebben moeten aanschaffen', invnr 151 scan 297 ev. Daarom heeft hij in de dertien weken van juni, juli en augustus 1834 van zijn oververdienste aan zakgeld het gigantische bedrag van É 6,98Ĺ uitbetaald gekregen, invnr 151 scan 303. Hij vertrekt om in militaire dienst te gaan op 8 september 1834. Het overzicht van in 1834 vertrokken kwekelingen, invnr 155 scan 291. meldt: 'Den 8 September voor de dienst der Nat. Mil. opgeroepen en te Groningen ingelijfd.'
In een brief dd 13 juli 1839 stelt de directeur voor Van Ingen en een andere uit dienst teruggekeerde kwekeling weer op te nemen, invnr 213 scan 440. De permanente commissie beslist hierover op 27 juli 1839 N24 en 31 juli 1839 N6. Dat heb ik niet gezien, maar dat hoeft ook niet: Van Ingen wordt weer in het Instituut opgenomen op 5 augustus 1839, hij heeft nu het k-nummer 34. Hij vertrekt al weer op 30 oktober 1839, want Johannes van den Bosch heeft hem aangesteld als tuinman op zijn huis in Den Haag. Het overzicht van in 1839 vertrokken kwekelingen, invnr 221 scans 799-800, meldt: 'Den 30 October ontslagen, als tuinmansknecht in dienst bij Z.E. den Graaf v.d. Bosch, waar hij het best heeft en goed maakt.' Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij dat Jan Pieter van Ingen nog steeds 'tuinmansknecht te 's Hage' is. Hij wordt genoemd op de pagina's 296-297 van De kinderkolonie en zijn verhaal staat ook op deze pagina.

Coenraad Jager, 17 oktober 1818, Groningen
Hij komt 25 november 1828 aan in de kolonie op het contract met de Armbestuurderen der Hervormde Gemeente te Groningen en wordt ondergebracht bij kolonisten in Willemsoord. In 1829 krijgt hij het B-nummer 478. Hij komt vanuit Willemsoord op 10 november 1829 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 31 krijgt. Op een lijst van aanwezige kwekelingen bij een inspectie op 30 september 1833, invnr 140 scans 504-505, is hij niet in het Instituut maar met verlof. Hij wordt op 25 oktober 1834 overgeplaatst naar hoeve 72 van Frederiksoord, in huis bij de weduwe Aukes, de moeder van de schoolonderwijzer van Frederiksoord Johan Diederik Aukes. Jager moet waarschijnlijk Jan Nobbe opvolgen, want die redt het niet als ondermeester. Aukes heeft verklaard 'dat er als Onderwijzer nooit iets van komen zal', en adjunct-directeur voor het onderwijs Van Wolda heeft geconstateerd dat er kinderen in de klas zitten die verder gevorderd zijn dan de ondermeester. Dit staat allemaal in dit stuk. Jagers optreden als ondermeester duurt ťťn jaar. Op 21 oktober 1835 wordt hij weer opgenomen in het Instituut, waar hij nu het k-nummer 49 krijgt. Hij vertrekt met ontslag op 6 mei 1837. Het overzicht van in 1837 vertrokken kwekelingen, invnr 191 scans 210-211, meldt dat hij 'op verzoek zijner familie te Groningen is ontslagen, doch dient tegenwoordig bij de 8e Afdeeling Infanterie'. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij dat Coenraad Jager 'vrijwillig in militaire dienst' is gegaan en daar inmiddels fourier is geworden.

Johannes Jobse, 17 juni 1819, Middelburg
Hij komt 6 april 1829 in de kolonie aan op het contract met de Direkteuren van het Burgerweeshuis te Middelburg, krijgt het B-nummer 866 en wordt als PK 61 eerst ondergebracht in het kindergesticht te Veenhuizen. Hij is een zoon van wijlen Adriaan Jobse en de aan vallende ziekte lijdende Johanna Schreijenberg.
Op 6 mei 1830 worden hij en zijn broer Leijn overgeplaatst naar Willemsoord hoeve 79 en van daar gaan ze allebei op 6 oktober 1831 naar het Instituut, waar Johannes het k-nummer 30 krijgt. Hij wordt 12 april 1833 aangenomen tot lidmaat van de  Hervormde Gemeente te Vledder, invnr 135 scans 510-511.
Op 21 januari 1834 gaan de twee broers van Wateren weg, waarschijnlijk hebben ze iets uitgevreten, maar daar zijn geen notities van bewaard gebleven. Johannes gaat naar Willemsoord hoeve 67.
Op 27 juli 1834 krijgt hij een nieuwe kans op het Instituut en krijgt hij het k-nummer 57.  Op 13 november 1839 gaat hij ŗls boerenknecht naar hoeve 1 van Wateren bij de weduwe Beenen, invnr 1355 scan 95, maar op 15 augustus 1840 wordt geconstateerd dat hij van verlof is achtergebleven. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, schrijft hij ook dat Johannes Jobse na zijn vertrek uit het Instituut 'boereknecht te Wateren' is en voegt hij toe 'later vertrokken naar Middelburg'.Als bijzonderheid meldt hij nog: 'lijdt van af zijn geboorte aan vallende ziekte.'

Leijn Jobse, 12 april 1817 te Middelburg, Schiedam
Hij komt 6 april 1829 in de kolonie aan op het contract met de Regenten der Magistraatsarmenkamer te Schiedam, krijgt het B-nummer 370 en wordt als PK 60 eerst ondergebracht in het kindergesticht te Veenhuizen. Hij is een zoon van wijlen Adriaan Jobse en de aan vallende ziekte lijdende Johanna Schreijenberg uit Middelburg en hoe hij in Schiedam is terechtgekomen zou ik ook niet weten.
Op 6 mei 1830 worden hij en zijn broer Johannes overgeplaatst naar Willemsoord hoeve 79. In maart 1831 behoort hij tot de jongeren in de vrije koloniŽn die hebben aangegeven wel in 's Lands zeeedienst te worden aangenomen, invnr 112 scan 110. Hij is dan 1 meter 41 lang, zonder gebreken en van een gezond doch minder sterk ligchaamsgestel.
Hij en broer Johannes gaan van Willemsoord hoeve 79 op 6 oktober 1831 naar het Instituut, waar Leijn het k-nummer 24 krijgt. Hij wordt 12 april 1833 aangenomen tot lidmaat van de  Hervormde Gemeente te Vledder, invnr 135 scans 510-511. Op 21 januari 1834 gaan de twee broers van Wateren weg, waarschijnlijk hebben ze iets uitgevreten, maar daar zijn geen notities van bewaard gebleven. Leijn gaat naar hoeve 20 van Willemsoord.
Op 4 juli 1834 krijgt hij een nieuwe kans op het Instituut, waar hij nu het k-nummer 41 krijgt.  Hij gaat in militaire dienst op 29 juli 1836. Het overzicht van in 1836 vertrokken kwekelingen, invnr 179 scans 575-576, meldt: 'Den 15 July 1836 opgeroepen voor de Nationale Militie en ingelijfd bij de 8e Afdeeling Infanterie.' Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij ook dat Leijn Jobse in 1836 is 'aangeloot in de militaire dienst' en dat hij later korporaal is geworden.

Martinus Kieviet, 13 juni 1823, Dordrecht
Hij staat in het wezenregister als Kiviet. Hij begint als bedelaarskolonist 1536. Dit moet ik nog nazoeken.
Hij wordt per 6 december 1834 opgenomen in het kindergesticht te Venhuizen en krijgt het weesnummer 469. Hij komt 27 september 1838 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 25 krijgt. Als de directeur der koloniŽn midden 1841 vraagt om vier jongens om te werken bij de net geÔnstalleerde stoommachine bij het derde gesticht te Veenhuizen, is Kieviet een van degenen die 'uit vele liefhebbers, bij het lot verkoren is'. Op 25 juni 1841 gaat hij naar het derde gesticht te Veenhuizen.
Eenmaal bij de stoommachine aan het werk geeft hij aan toch liever op het land te willen werken en op 8 september 1841 is hij weer terug in het Instituut, waar hij nu het k-nummer 66 draagt. Hij vertrekt met ontslag op 27 april 1843. Het overzicht van in 1843 ontslagen jongens, invnr 296 scan 360, meldt dat hij daarna werkt als 'tuinmansknecht te Dordrecht'.

Cornelis Filippus Kroij, 26 maart 1836, Amsterdam
Hij komt 17 mei 1844 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 584. Hij komt 18 mei 1852 naar het Instituut en krijgt het k-nummer 2. Hij gaat met ontslag op 29 maart 1856.
Op 12 mei 1856 is hij er echter weer. Hij krijgt nu het weesnummer 683 maar behoudt zijn k-nummer 2. Hij gaat nog hetzelfde jaar definitief met ontslag: 9 juni 1856.

Jeronimus Augustus Johannes Kummel, 17 februari 1828, Amsterdam
Hij komt 29 september 1836 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 2179. Hij komt 9 mei 1842 naar het Instituut en krijgt het k-nummer 81. Na een kleine vijf jaar wordt hij als boerenknecht ingedeeld bij de weduwe Beenen op hoeve 1 van Groot Wateren, invnr 1356 scan 99. Dat bevalt erg slecht.
Hij deserteert op 11 april 1847, van welke desertie hij op 16 april wordt teruggebracht. Bij de tuchtzaak geeft hij als reden voor zijn vlucht 'dat, te Groot Wateren ingedeeld geweest zijnde bij de Wed. Beenen, hij onderscheidenen keren verzocht had, naar het Instituut te worden terug geplaatst, uit hoofde hij het bij die Weduwe niet goed had'. De tuchtraad geeft stoÔcijns 8 dagen opsluiting in de strafkamer, maar zijn verklaring en de vele deserties uit de woning van de weduwe lijken toch effect te hebben, want de weduwe Beenen wordt op 1 juni 1847 ontslagen.
Hij komt vanuit Veenhuizen opnieuw in het Instituut op 29 juni 1847 en krijgt nu het k-nummer 9. Hij verlaat de koloniŽn als hij 20 maart 1848 zijn militaire dienstplicht gaat vervullen.

Johannes Hendrikus Lammering, 10 september 1838, Den Haag
Hij komt 18 mei 1848 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1930. Hij komt op 28 april 1853 naar het Instituut en krijgt het k-nummer 57. Maar na vijf jaar moet hij zijn militaire dienstplicht vervullen: 7 april 1858.
Dat blijkt minder lang te duren dan verwacht en 25 oktober 1858 is hij er weer. Hij krijgt nu het k-nummer 28 en brengt de winter door in het Instituut voor hij op 1 mei 1859 met ontslag vertrekt.

Karel Middelhoff, 11 november 1827, Haarlem
Hij komt 11 december 1837 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1202. Hij komt 29 maart 1841 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 11 krijgt. Na drie jaar, op 27 juli 1844, wordt hij als boerenknecht ingedeeld bij de weduwe Beenen op hoeve 1 van Groot Wateren, invnr 1355 scan 99.
Op 5 augustus 1845, invnr 332 scan 46, schrijft de directeur der koloniŽn aan de Instituteur: 'Indien er geene overwigtige bedenkingen tegen bestaan, verzoek ik UwEd verlof te verleenen aan den bestedeling Karel Middelhoff No 1202, van Haarlem, die bij vrouw Beenen ingedeeld is.' Een tijdje na dat verlof, op 30 oktober 1845 keert hij terug naar het Instituut, waar hij nu het k-nummer 71 krijgt. Hij verlaat de koloniŽn met ontslag op 28 september 1848.

Reinier van Nispen, 12 oktober 1822, Den Haag
Hij komt 9 mei 1833 (tegelijk met zijn broer) aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 685. Hij komt 9 april 1838 in het Instituut en krijgt het k-nummer 8. Na vijf jaar gaat hij op 14 juni 1843 als hoeveknecht naar een boerderij bij de Ommerschans.
Hij keert 19 maart 1844 terug te Wateren en wordt eerst abusief ingeschreven bij k-nummer 5. Hij maakt de dood van Jan Hessel van Wolda mee en schrijft daar aandoenlijk over. Zijn inschrijving wordt gecorrigeerd naar k-nummer 61 en op 9 oktober 1845 gaat hij weer als hoeveknecht naar een boerderij bij de Ommerschans. Uiteindelijk wordt hij op 1 augustus 1848 ontslagen als hij zelf als hoevenaar een boerderij bij de schans krijgt. Zie voor meer over hem deze pagina.

Gerhardus Adrianus Pillipes, 10 april 1825, Amsterdam
Hij komt 25 september 1833 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 2166. Hij komt van daar op 15 november 1838 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 65 krijgt. Hij vertrekt als hij op 12 mei 1845 in militaire dienst moet. Het overzicht van in 1845 uit Wateren ontslagen jongens, invnr 322 scan 103-104, meldt: 'Den 12 mei voor de nat. mil. ontslagen; doch later hier terug gekomen.' Die terugkeer is op 26 augustus 1845. Hij krijgt nu het k-nummer 39. Hij verdwijnt definitief als hij op 31 maart 1847 met ontslag gaat.

Jan van der Plaats, 16 december 1814, Schiedam
De naam komt ook voor als Jan Plaats, dus zonder 'van der'. Hij komt 28 juli 1827 in de kolonie aan op het contract met de Regenten der Magistraatsarmenkamer te Schiedam en wordt ondergebracht bij kolonisten in Willemsoord. In 1829 krijgt hij het B-nummer 362. Hij gaat vanuit Willemsoord op 10 november 1829 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 30 krijgt. Hij is een van de jongens die zich vrijwillig op geven voor de zeedienst, noteert de Instituteur op 7 maart 1831, invnr 112 scan 116. Bij die gelegenheid verklaart de arts van de vrije koloniŽn dat Jan Plaats 1 meter 43 lang is en 'een gezond en sterk ligchaamsgestel zonder gebreken' heeft.
Hij gaat om mij niet bekende redenen op 6 oktober 1831 uit het Instituut weg en naar de familie De Bruin op hoeve 42 van Willemsoord. Hij wordt voor de tweede keer in het Instituut opgenomen op 1 mei 1833 vanuit hoeve 154 van Willemsoord. Hij krijgt nu het k-nummer 18. Vervolgens gaat hij op 21 januari 1834 naar hoeve 29 van Willemsoord. Van daar gaat hij op 7 september 1834 in militaire dienst. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij dat Jan van der Plaats in 1834 is 'aangeloot in militaire dienst', en heeft hij geen recentere informatie.

Johannes Willem Ribbe, 23 juli 1830, Middelburg
Hij komt 29 april 1841 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1399. Hij komt 12 juli 1844 naar het Instituut waar hij het k-nummer 12 krijgt, maar al op 8 oktober 1844 gaat hij terug naar Veenhuizen. Of dat voor straf is of om iets in het onderwijs te doen, weet ik niet.
Hij komt 31 oktober 1844 weer naar het Instituut,waar zijn k-numer 12 nog vrij is en blijft meer dan vier jaar tot hij op 27 januari 1849 als ondermeester naar Veenhuizen gaat. Dat doet hij niet vreselijk lang: hij deserteert van de kolonie op 25 april 1850.

Willem Rozeboom, 16 maart 1815, Amsterdam
In invnr 1610 is de naam gespeld Roozeboom. Hij komt 23 september 1824 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 592. Hij komt 10 april 1831 vanuit het derde gesticht naar het Instituut en krijgt het k-nummer 60. Hij staat op de lijst van 26 maart 1832, maar op 2 augustus 1832 wordt zijn nummer aan iemand anders toegekend, dus tussen die twee data moet Willem Rozeboom teruggekeerd zijn naar Veenhuizen. Hij staat dan ook niet op de lijst van 8 april 1833. Maar op 5 juni 1833 komt hij opnieuw naar het Instituut, ook weer vanuit het derde gesticht, en krijgt hij het k-nummer 7. Hij heeft in 1833 É 6,49 meer aan kleding ontvangen dan toegestaan, invnr 149 scan 366. Hij staat op een lijst, invnr 156 scan 480, van in 1835 voor ontslag voorgedragen kinderen en gaat met ontslag op 4 april 1835 en is dan volgens invnr 167 scan 512 'te Amsterdam bij een fruit- of groentevrouw dienstbaar waar hij het goed heeft'. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij ook dat Willem Rozeboom na zijn ontslag 'in dienst bij eenen groenboer buiten A'dam' is, en heeft hij geen recentere informatie.

Jan Jans de Ruiter, 6 februari 1818 te Nije Haske, Haskerland
Hij komt 16 juni 1830 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1096. Hij komt 26 maart 1831 uit het eerste gesticht te Veenhuizen naar het Instituut, waar hij het k-nummer 45 krijgt. In de dertien weken van juni, juli en augustus 1834 heeft hij van zijn oververdienste aan zakgeld É 3,02Ĺ uitbetaald gekregen, invnr 151 scan 303, waarmee hij behoort tot de 25 kwekelingen die het meest verdienen, invnr 151 scan 297 ev. Hij vertrekt als hij in militaire dienst moet op 1 juli 1837. In het overzicht van in 1837 vertrokken kwekelingen, invnr 191 scans 210-211, staat dat hij is 'opgeroepen voor de N.M. en ingelijfd bij de 8e Afdeeling Infanterie te Groningen.'.
Op 16 maart 1840 is hij terug en wordt hij op kosten van de permanente commissie weer opgenomen in het Instituut, waar hij nu het k-nummer 59 krijgt. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij over die terugkomst van Jan Jans de Ruiter: 'met onbepaald verlof terug gekomen en hier weder aangenomen, om boerenambtenaar te worden'. Hij gaat daarvoor op 10 oktober 1840 naar hoeve 1 van Wateren, in het huishouden van de weduwe Beenen, invnr 1355 scan 96 en invnr 1356 scan 99. Hij gaat echter op 7 april 1841 met ontslag.

Noach Scheffener, 2 januari 1811 te Veere, Amsterdam
Hij komt 23 september 1824 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 632. Hij komt op 29 september 1829 (aanname) naar het Instituut, waar hij het k-nummer 33 krijgt. Er komt een einde aan zijn tijd op het Instituut als hij op 3 oktober 1830 'tot de Militaire Dienst opgeroepen en ingelijfd' wordt. (Het officiŽle ontslag wordt pas 16 maart 1831 verwerkt, maar dat is hier niet van belang.
Na vijf jaar zit dat erop en meldt Scheffener zich weer bij het Instituut. Het leidt tot brieven van de Instituteur en de directeur der koloniŽn, waarvan transcripties staan op de eigen pagina van Noach Scheffener. Hij wordt 1 maart 1836 weer opgenomen in het Instituut en draagt nu het k-nummer 30. Op 17 april 1837 gaat hij als hoeveknecht naar de hoevenaar Kramer te Ommerschans en begint een carriŤre in dienstverband met de Maatschappij als vrachtrijder, huisknecht en zaalopziener die beschreven staat op zijn eigen pagina. Hij wordt genoemd op pagina 213 van De kinderkolonie.

Jan Schmidt, 1 december 1838, Amsterdam
Hij komt 25 februari 1848 (tegelijk met zijn broer Meijnardus Hendrikus Schmidt) in de kolonie aan op een contract voor 60 gulden per jaar met F.S.N. Raquin te Amsterdam, contract E 218, krijgt het B-nummer 989 en wordt als PK 23 ondergebracht in het kindergesticht te Veenhuizen. Hij komt 28 april 1853 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 58 krijgt.
Hij deserteert vanuit Wateren op 20 september 1853, maar wordt 24 september weer teruggebracht. Daarop deserteert hij andermaal op 9 oktober 1853 en dan wordt hij 24 oktober afgeleverd bij het eerste gesticht te Veenhuizen, waar men hem maar even laat blijven. Vreemd genoeg zijn er geen tuchtzaken over die deserties gevonden.
Op 7 november 1853 mag hij weer terug naar het Instituut, waar zijn k-nummer 58 nog vrij is en weer aan hem wordt toegekend. Op 27 juni 1855 gaat hij terug naar Veenhuizen als voorbereiding voor het ontslag van de koloniŽn van hem en zijn broer op 29 juni 1855. Hij is dan 16 jaar, dus hij zal door familie opgenomen zijn.

Gerrit de Smeet, 8 september 1823, Amsterdam
Hij komt 10 juni 1833 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1908. In de wezenregisters met de invnrs 1411 en 1413 is aangetekend dat hij invalide is. Hij komt 1 mei 1837 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 49 krijgt. Hij moet na vijf jaar weg voor het vervullen van zijn militaire dienstplicht op 28 juni 1842, dus zo heel vreselijk invalide zal hij ook niet zijn.
Hij is later in het jaar terug. Op 9 oktober 1842 wordt hij weer opgenomen in het Instituut, met dit keer het k-nummer 14. Hij vertrekt tenslotte met ontslag op 4 juli 1843. Het overzicht van in 1843 ontslagen jongens, invnr 296 scan 360, meldt dat hij daarna werkt als bakkersknecht te Amsterdam.

Gerardus Steffers, 11 september 1833, Haarlem
Hij komt 14 juni 1844 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 695. Hij komt in het Instituut op 2 juni 1846 en krijgt het k-nummer 44. Hij gaat 5 maart 1847 naar het eerste gesticht te Veenhuizen. Of dat voor straf is of voor een baantje weet ik niet.
Hij komt 14 september 1850 terug op het Instituut, waar hij nu het k-nummer 5 krijgt. Hij wordt ontslagen op 3 juli 1852.

Fredericus Temmen, 2 september 1817, Veendam
Hij komt 11 september 1830 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1001. Hij komt volgens invnr 1544 vanuit het eerste gesticht naar het Instituut op 27 augustus 1831 en krijgt het k-nummer 5. Op een lijst van aanwezige kwekelingen bij een inspectie op 30 september 1833, invnr 140 scans 504-505, is hij niet in het Instituut zelf, maar is hij 'schaapherder'. Hij wordt 19 nov 1833 naar de Ommerschans overgeplaatst, waar hij werkt als hoeveknecht. Hij keert daarvan op 22 februari 1836 terug in het Instituut en krijgt nu het k-nummer 20. Hij vertrekt met ontslag op 5 april 1837. Het overzicht van in 1837 vertrokken kwekelingen, invnr 191 scans 210-211, meldt dat hij 'in dienst is getreden bij een boer in de provincie Groningen'. Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, meldt hij ook dat Frederik Temmen na zijn ontslag 'boereknecht bij Groningen' is en voegt hij toe: 'is daar nog'.

Jan Trompetter, 4 april 1823, Koog aan de Zaan
Jan Trompetter is maar liefst DRIE keer in de koloniŽn geplaatst, en twee van die drie keer komt hij ook in het Instituut. Hij komt 17 april 1834 (tegelijk met Madeleentje Trompetter die wel zijn zus zal zijn) aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 597. In het wezenregister met invnr 1412 staat vermeld dat hij en zijn zus op 30 juli 1836 zijn ontslagen, maar dat is onjuist. Ze worden op die datum overgeschreven van het contract met de Staat op het particuliere contract met het Kollegie der Armenvoogden te Koog aan de Zaan. Hij krijgt het B-nummer 563 en blijft gewoon, nu als PK 61, in het kindergesticht. Tot hij op 27 april 1837 naar het Instituut komt, waar hij het k-nummer 30 krijgt.
Hij gaat echter op 2 mei 1838 terug naar Veenhuizen. Daar blijft hij tot hij op 18 april 1848 wordt ontslagen. Maar op 18 september 1848 brengt het Kollegie der Armenvoogden te Koog aan de Zaan hem opnieuw naar de kolonie, hij krijgt weer het B-nummer 563 en komt opnieuw, 25 jaar oud, in het kindergesticht te Veenhuizen. Tot hij op 1 juni 1849 ten tweeden male in het Instituut komt, waar hij nu het k-nummer 16 krijgt. Hij gaat echter op 30 september 1850 terug naar het kindergesticht, waaruit hij op 3 mei 1851 ontslagen wordt. Waarna het Kollegie der Armenvoogden te Koog aan de Zaan hem op 19 augustus 1851 weer in de kolonie plaats, waar hij ten derde male het B-nummer 563 krijgt, maar nu wordt ondergebracht bij kolonisten in Willemsoord. Hij heeft er echter genoeg van en hij deserteert op 8 april 1852 van de kolonie. Hij wordt genoemd op pagina 301 van De kinderkolonie en hij verschijnt diverse keren voor de tuchtraad van het eerste gesticht, dus ik kan beter een keer een aparte pagina over hen maken.

Martinus Vink, 2 november 1820, Schiedam
Hij komt 24 november 1833 in de kolonie aan op het contract met de Regenten der Stadsarmenkamer te Schiedam, krijgt het B-nummer 352 en gaat meteen rechtstreeks naar het Instituut, waar hij het k-nummer 5 krijgt. Na een kleine zes jaar moet hij in militaire dienst: 20 september 1839. Het overzicht van in 1839 vertrokken kwekelingen, invnr 221 scans 799-800, meldt: 'Den 20 September opgeroepen voor de Nat. Militie.' Als Jan Hessels van Wolda in februari 1841 gegevens over kwekelingen op een rijtje zet, zie hier, schrijft hij ook dat Martinus Vink in 1839 is 'aangeloot in de militaire dienst'. Van Wolda vervolgt: 'met onbepaald verlof terug gekomen om ambtenaar te worden in de koloniŽn'. Die terugkomst is op 10 april 1840 en dan wordt Martinus Vink weer opgenomen in Wateren, met dit keer als k-nummer 18. Tenslotte wordt hij als kwekeling ontslagen op 1 oktober 1841 en wordt hij employť. Eerst schrijver der fabriek te Ommerschans en vanaf 1 juni 1844 onderdirecteur-binnen tevens boekhouder van Wateren.

Cornelis Bauke de Vries, 1 mei 1836, Leiden
Hij komt 18 november 1847 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 1775. Hij komt 2 mei 1850 naar het Instituut, waar hij het k-nummer 66 krijgt. Op 8 oktober 1853 deserteert hij en het duurt tot 22 oktober voor ze hem terug hebben en hij diezelfde dag naar de strafkolonie op de Ommerschans gaat. Die verbanning blijkt van korte duur, want op 2 november 1853 is hij weer in Wateren, waar zijn k-nummer 66 nog beschikbaar is. Hij gaat tenslotte op 24 maart 1856 met ontslag.

Jan Walrave, 29 augustus 1828, Veere
Hij komt 16 maart 1843 aan in het kindergesticht te Veenhuizen op het Algemeen Contract met de Staat en krijgt het weesnummer 31. Hij komt 12 mei 1845 voor het eerst in het Instituut, waar hij het k-nummer 17 krijgt. Hij gaat 5 maart 1847 terug naar Veenhuizen, maar ik weet niet of dat voor straf is of dat daar een betrekking op hem wacht.
Hij komt 20 juli 1848 opnieuw in het Instituut, waar hij nu het k-nummer 20 krijgt. Volgens het wezenregister met invnr 1412 wordt Jan Walrave op 13 april 1850 ontslagen, volgens het kwekelingenregister met  invnr 1583 wordt 31 oktober 1850 geconstateerd dat hij van verlof is achtergebleven, maar dat laatste lijkt mij opgeschreven door iemand die het ontslag heeft gemist.


Nadere gegevens over deze kwekelingen

Om het een beetje overzichtelijk te houden, beschouw ik de 2de en 3de opname van Hendrik van Dee als ťťn opname (er zit ook maar twee maand tussen). Dan hebben we te maken met 31 tweede opnames. Die komen door de jaren heen zeer regelmatig voor, zonder noemenswaardige uitschieters, al loopt het op het eind een beetje af:

1833
2
1840
3
1847
1
1854
0
1834
2
1841
1
1848
1
1855
0
1835
2
1842
2
1849
1
1856
1
1836
2
1843
0
1850
2
1857
0
1837
0
1844
2
1851
0
1858
1
1838
0
1845
4
1852
0
1859
0
1839
2
1846
0
1853
2


Van de 31 die voor de tweede keer zijn opgenomen, hebben 13 de eerste keer het Instituut verlaten om in militaire dienst te gaan, en 5 omdat er elders in de koloniŽn een baantje voor hen was. Verder 8 die waren overgeplaatst zonder vermelding waarom dat was en een restcategorie, bestaande uit eentje (Cornelis Filippus Kroij) die met ontslag was gegaan, eentje (Martinus Kieviet) die een tijdje aan de stoommachine bij het derde gesticht heeft gewerkt, eentje (Johannes Jacobus de Haas) die bij het eerste gesticht te Veenhuizen moest herstellen van ziekte, eentje (Jan Schmidt) die was gedeserteerd en eentje (Cornelis Bauke de Vries) die was verbannen naar de strafkolonie.

Daar maken we weer een mooi kaasje van om te benadrukken dat terugkeer uit de militaire dienst de belangrijkste voedingsbodem voor een tweede opname is:

Zoals verwacht mag worden, zijn de jongens die voor de tweede maal worden opgenomen op het moment van die tweede opname gemiddeld ouder dan andere kwekelingen, namelijk 19 jaar en 263 dagen tegenover 15 jaar en 131 dagen als gemiddelde leeftijd bij alle eerste opnamen.

En ook niet verrassend is dat het tweede verblijf gemiddeld korter duurt: gemiddeld 1 jaar en 212 dagen tegenover 3 jaar en 201 dagen voor alle kwekelingen. Het kortst blijft Cornelis Filippus Kroij, wiens tweede opname slechts 28 dagen duurt. Het langst Johannes Jobse die bij zijn tweede opname 5 jaar en 110 dagen in het Instituut blijft, voordat hij ondanks zijn 'vallende ziekte' hoeveknecht te Wateren wordt. De verblijfsduur bij de tweede opnames:



Dan hun vertrek na de tweede opname. Van de 31 zijn er 8 die in dienst van de Maatschappij treden, als je werken in de Haagse tuin van Johannes van den Bosch meetelt, anders zijn het er 7. De meesten, 17 in totaal, gaan gewoon met ontslag. En er is een restcategorie, met twee (Leijn Jobse en Jeronimus Augustus Johannes Kummel) die in militaire dienst gaan, twee (Jan van der Plaats en Jan Trompetter) die binnen de koloniŽn worden overgeplaatst zonder vermelding waar dat voor is, eentje (Daniel Frederik Arpeau) die deserteert en eentje (Hendrik van Dee) die wordt verbannen naar de strafkolonie. Opnieuw een kaasje:

 

De doelstelling om met de kwekelingen het eigen personeelsbestand te vullen, wordt dus wat deze groep betreft maar mondjesmaat bereikt. Die tweede opnames dienen vooral als rustpunt om de jongere te laten bedenken wat hij in de gewone maatschappij wil gaan doen.