Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Statistische gegevens over de jongens die als kwekeling op het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren geweest zijn - Deel 3: kunnen we uit de vertrekgegevens conclusies trekken over de kwaliteit van de opleiding???

In deel 1 ging het over het aantal kwekelingen en hun herkomst, in deel 2 over hun leeftijd bij aankomst en hun verblijfsduur en op deze pagina kijk ik op welke manieren zij uit het Instituut vertrokken zijn. Het zou mooi zijn als daaruit af te leiden viel hoe succesvol het Instituut geweest is.

Uitsluiten van de berekeningen

Niet meegeteld worden de kwekelingen die pas na 1 januari 1859 naar het Instituut komen, kwekelingen die het Instituut moeten verlaten vanwege de afsplitsing der koloniŽn, en de kwekelingen die uit Wateren weg moeten omdat het Instituut gaat sluiten. Gegevens over deze drie groepen staan op deze pagina.
Bij de jongens die meer dan ťťn keer ingeschreven worden, kijken we ALLEEN naar de eerste opname. Gegevens over hun tweede opname staan op deze pagina. En uiteraard neem ik de wasmeiden en de foute inschrijvingen niet mee.

Wat overblijft zijn 606 kwekelingen. Bij het bepalen hoe ze zijn vertrokken hebben we niet genoeg aan de kwekelingregisters, maar zijn aanvullende bronnen nodig. Om ťťn (uit vele) voorbeelden te geven: bij Daniel Was staat in het register alleen dat hij ontslagen is, terwijl uit andere stukken bekend is dat hij dan aan de slag gaat als onderwijzer in het koloniale onderwijs.

De manieren om te vertrekken zijn:

● Ontslag

De normale situatie in de koloniŽn is dat een jongere in het jaar dat hij 20 wordt 'voor ontslag in aanmerking komt'. Als er ernstige twijfels zijn of hij in de gewone maatschappij wel aan de kost kan komen, kan het ontslag 1, 2, 3 of meer jaartjes worden uitgesteld. Bij volstrekt kanslozen begint men er niet eens aan (en dat is een oorzaak dat een steeds groter percentage van de koloniepopulatie invalide is).

Een andere manier van ontslag, waarbij men al op jongere leeftijd kan vertrekken, is als de jongere 'door familie benaderd' wordt. Familieleden bieden aan om de wees op te nemen en voor zijn levensonderhoud te zorgen. Of dit speelt kan worden afgeleid uit de leeftijd waarop een wees met ontslag gaat.

Voor ontslag van weeskinderen op het Algemeen Contract met de Staat is toestemming nodig van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat eerst advies vraagt aan de gouverneurs van de betreffende provincies, die het op hun beurt weer vragen aan de burgemeesters. Als de wees door familie benaderd is, kijken die laatsten ook naar de financiŽle draagkracht van de familie. Voor ontslag van op particulier contract geplaatste jongeren is toestemming nodig van de uitbesteders.

Van de kwekelingen verlaten er 302 (= bijna de helft, 49,8%) het Instituut met ontslag. Van hen zijn 51 op dat moment jonger dan 19 jaar, dus die zijn zeker 'door familie benaderd'.

● Militaire dienst

Na de verplichte loting en keuring in het jaar dat je 19 wordt, worden veel jongens ingelijfd voor de militaire dienstplicht. Soms heeft iemand die is 'aangeloot' nog niet de 'vereischte lengte' en dan moet hij elk jaar terugkomen om gemeten te worden. Daarnaast zijn er jongens die er voor kiezen vrijwillig in militaire dienst te gaan. Dat kan pas vanaf je 19e en als je per se eerder weg wilt is er de mogelijkheid van 'zeedienst', oftewel de Marine, want matroos of scheepsjongen kun je al op jongere leeftijd worden.

Er verlaten 89 jongens, is 14,6 %, het Instituut om in militaire dienst te gaan, bij 4 van hen is explocoet genoteerd dat zij 'in zeedienst' gaan, maar dat kunnen er meer zijn. Er wordt te slordig genoteerd of iemand is 'aangeloot' of vrijwillig in dienst gaat om dat onderscheid hier te maken.

NB: Vermoedelijk ligt de verhouding tussen ontslag en militaire dienst iets anders. Een veel gebruikte notitie is 'ontslagen voor de mili. dienst' of 'ontslagen voor de Nationale Militie', wat hetzelfde is. Dat heb ik dan geteld als militaire dienst, maar de indruk bestaat dat de klerken bij deze notitie regelmatig ophouden na het woord 'ontslagen' en de rest vergeten. Soms blijkt uit andere bronnen dat iemand dan wel als 'ontslagen' staat genoteerd, maar in werkelijkheid in militaire dienst is getreden. In de meeste gevallen zijn er echter geen andere bronnen. Dus het is waarschijnlijk dat er meer jongens in militaire dienst zijn getreden dan hierboven wordt gemeld.

● Overlijden

Van de in deze berekeningen meegenomen 606 kwekelingen, overlijden er acht. Dat is een voor een weeshuis in de negentiende eeuw absurd laag percentage van 1,3 procent. Ondenkbaar, bizar.

Er moet bij dit lage sterftecijfer echter aangetekend worden dat uit de geschiedenis van Johannes Jacobus de Haas blijkt dat zieke kwekelingen worden overgebracht naar Veenhuizen omdat daar de medische verzorging beter is (want er woont een arts en er is een hospitaal). Dat gebeurt bijvoorbeeld ook met (vermoedelijk) Rik Smit en Christiaan Struwe, die vervolgens na respectievelijk een maand en een half jaar te Veenhuizen overlijden. Maar zij zijn dus niet bij de sterfgevallen in Wateren gerekend.

Hieronder achtereenvolgens overlijdensdatum, naam, leeftijd bij overlijden en, in twee gevallen, de doodsoorzaak:

11 december 1831
Abraham Mulder 18 jaar
12 januari 1837
Maarten Bos 19 jaar
15 november 1843
Willem de Wilde 20 jaar
13 juni 1845
Jan Jurgens 18 jaar, verdrinking
4 juni 1848
Jan Willem Mostertman 17 jaar
24 februari 1849
Johannes van Zwol 15 jaar
19 april 1853
Johannes Verhagen 16 jaar
12 juni 1860
Gerrit Wegman 19 jaar, verdrinking

● Desertie

De mate van surveillance bepaalt hoe lastig deserteren is. De Ommerschans is het zwaarst bewaakt, de bedelaarsgestichten in Veenhuizen worden tamelijk scherp in de gaten gehouden, het kindergesticht aldaar stukken minder en in de vrije koloniŽn en Wateren is het het eenvoudigst om weg te komen.

Maar zoals in De kinderkolonie gemeld: weglopen is niet moeilijk, wegblijven is de kunst. De meeste deserteurs zijn na enige tijd weer terug, waarbij vaak niet wordt vermeld of dat vrijwillig was of dat zij door een politiedienaar zijn teruggevoerd. Soms komen ze terug bij het Instituut, maar vaak ook in de Ommerschans of Veenhuizen, waar ze dan meestal meteen ook moeten blijven.

Veel efficiŽnter dan gewoon weglopen is 'van verlof achterblijven'. De vluchteling is dan al in zijn oude woonplaats en heeft daar relaties die hem helpen buiten bereik van de politie te blijven.

Er wordt veel geprobeerd te deserteren, maar daarbij moet worden bedacht dat er geen enkele andere manier is om inspraak te krijgen. Kwekelingen (en wezen en andere koloniebewoners) zijn volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd aan de boven hen geplaatsten, dus de enige manier om je stem te laten horen is met je voeten.

Er zijn zoveel desertiepogingen, dat ik niet ga proberen die te turven. Ook omdat ik niet weet hoe volledig dat geregistreerd is. Daarom noem ik hier alleen de GESLAAGDE desertiepogingen. Als iemand na een jaar of zo wordt opgepakt en teruggevoerd naar Veenhuizen, tel ik dat NIET als een geslaagde desertie, zij worden beschouwd als (zie verderop) 'weggestuurd'. .

Uitgaande van die criteria hebben van de 606 kwekelingen er 22 met succes het Instituut en de koloniŽn via desertie verlaten. De aantekening 'verlof' betekent dat zij dat hebben gedaan door op de vermelde datum niet van verlof terug te keren.

Hendrik van Kampen
ergens in 1825

Evert Koeleman
ergens midden 1826

Aldert Molenaar
ergens in 1827

Diderik Martinus Mulkes
24 mei 1828

Ate Sakes Weima
6 mei 1832

Abraham Koeman 8 juni 1833
verlof
Johannes Pieter Roelofswaart
10 augustus 1835
verlof
Adriaan Veltman
26 juli 1836

Johan Coenraad Jekel
23 oktober 1836

Louis Nicolaas van Herfden
september 1837
verlof
Evert Huibrecht Verschoor
20 januari 1841
verlof
Johan Christoph Weidner
4 december 1841
verlof
Christiaan Klets
10 juli 1842
verlof
Marinus Goossen
16 augustus 1847

Petrus Wijngaarden
6 mei 1848

Theodorus Marinus van Luijn
16 mei 1849

Hendrik Baart
26 mei 1849

Cornelis van Veen
5 maart 1850

Hendrik de Puijt
2 juni 1850

Johannes Stijnis
9 oktober 1853

Lodewijk August van Lettow
9 oktober 1853

Jan Walburg
8 oktober 1859

Van deze weglopers hebben er 8 een half jaar of minder op het Instituut gezeten, 4 tussen een jaar en anderhalf jaar, 3 tussen anderhalf en twee jaar, en de rest langer dan tweeŽnhalf jaar. De jongste wegloper is Johannes Stijnis, 14 jaar en 195 dagen, de oudste Cornelis van Veen met 19 jaar en 358 dagen, de gemiddelde leeftijd van de weglopers is 16 jaar en 219 dagen.

NB: Van de 94 jongens die niet in de berekeningen meegenomen worden (zie de inleiding) deserteert Daniel Frederik Arpeau bij zijn tweede opname en lopen in 1860, als de bewaking blijkbaar verslonst wordt, van Wateren weg Karel Lodewijk Brouwer, Anthonie van der Meijden en Hermanus Gerardus Johannes Mondriaan.

● Overplaatsing

Dan hebben we alle vormen van vertrek uit het Instituut gehad, behalve overplaatsing naar elders in de koloniŽn. In totaal gaat dit om 185 jongens, maar het is een lastige, want het kan zowel succes als mislukking inhouden en dat staat er niet altijd bij!! Het kan betekenen:

Mislukking. De kwekeling wil niet leren of de kwekeling kan niet leren en de Instituteur besluit hem terug te sturen naar waar die vandaan kwam. Of hij heeft iets fouts gedaan (brand stichten, diefstal plegen) waardoor die gestraft wordt door hem de luxe van Wateren verder te ontzeggen. Het vaakst gebeurt dat na een desertiepoging.
Er zijn 41 jongens van wie zeker is of met grote zekerheid kan worden aangenomen dat ze van het Instituut zijn weggestuurd. Daaronder 3 (Johannes Jacobus de Haas, Rik Smit en Christiaan Struwe) die wegens ziekelijkheid in Veenhuizen verpleegd moeten worden en 8 (Gerardus Hermanus Cornelis Blanken, Willem Benjamin Feltman, Hermanus Lofveldt, Johannes Postma, Rijk Reinders, Fokke de Swart, Cornelis Bauke de Vries en Ferdinand van Wiemen) die worden verbannen naar de strafkolonie.

Succes: een baantje. De kwekeling krijgt een betrekking in de koloniŽn. Er zijn er een paar die een functie krijgen bij het Instituut, waaronder sommigen als boerenknecht te Groot Wateren. De meest voorkomende mogelijkheden elders in de koloniŽn zijn:
- ondermeester op een van de scholen;
- assistent of schrijver bij een boekhouder,
- hoeveknecht op een van de grote boerderijen rond de Ommerschans.
Er zijn 45 jongens van wie het zeker is of met grote zekerheid kan worden aangenomen (bijvoorbeeld als een Veenhuizense wees in de vrije koloniŽn wordt geplaatst, kan dat alleen vanwege een baantje zijn) dat ze om deze reden van het Instituut vertrekken.
NB: Dat die baantjes in veel gevallen niet zo lang duren, waarbij de minimale vergoeding zeker een rol zal spelen, wordt niet in de overwegingen meegenomen.

Onbekend. En tenslotte blijft er over een groep van 99 jongens die vanuit het Instituut worden overgeplaatst naar elders in de koloniŽn waarbij niet is aangetekend WAAROM dat is. Dat zijn er heel veel (16,3%). Mijn inschatting (natte vingerwerk) is dat het met veel moeite bij de helft van deze groep kan lukken om te achterhalen waarom ze uit Wateren zijn vertrokken, bij de andere helft is het gewoon nergens genoteerd en zal het altijd onbekend blijven.
Maar proberen dit te achterhalen is een enorme, tijdslurpende klus, ook omdat de nauwelijks ontgonnen correspondentie van 1847 tot 1859 moet worden doorzocht, en dat ga ik dus niet doen.



Het voorafgaande nog even in cijfers:

reden vertrek
aantal
percentage

ontslag
302
49,8

militaire dienst
89
14,6

overlijden
8
1,3

desertie
22
3,6

ambt
45
7,4

weggestuurd
41
6,7

onbekend
99
16,3


En uiteraard als kaasje

Kan er op basis van deze gegevens bepaald worden hoe succesvol de opleiding was?
Mwah... mwah...
Het ziet er zo op het oog wel goed uit, maar de vraag is of deze gegevens stevig genoeg zijn om iets definitiefs te kunnen zeggen. Misschien kan er nog eens een clubje studenten tegenaan om te kijken hoe de met ontslag of naar militaire dienst vertrokken kwekelingen in hun latere leven terechtgekomen zijn. En waarom die 99 jongens uit Wateren weggegaan zijn.
Tot die tijd zullen we het hiermee moeten doen.