Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Beknopte samenvatting van de belangrijkste gegevens over de kwekelingen op het Instituut te Wateren

Het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding opent zijn deuren op 28 juni 1824 en sluit ze op 30 december 1860. In die tijd zijn er precies 700 kwekelingen geweest. Van hen zijn er 532 (76%) in de koloniŽn gekomen op het contract met de Staat voor overname van wezen, 183 (23%) die in de koloniŽn zijn gekomen op particulier contract en 5 die op een andere manier geplaatst zijn. Er zijn nooit zonen van nog levende kolonisten geweest.

Van de 700 kwekelingen woonden er 581 (83%) toen ze naar Wateren kwamen in de kindergestichten te Veenhuizen, 110 (16%) woonden als ingedeelde op een hoeve in de vrije koloniŽn, eentje kwam van elders en 8 kwamen bij aankomst in de koloniŽn rechtstreeks naar het Instituut.

Van de 700 kwekelingen kwamen er 284 (41%) oorspronkelijk uit Amsterdam, de rest kwam uit plaatsen in.het hele land, met als grote leveranciers Den Haag (52 kwekelingen), Haarlem (49), Rotterdam (38) en Groningen (31).

Een flink aantal jongeren (heel grof geschat: 70) zijn vaker dan ťťn keer in het Instituut opgenomen, wat in 31 gevallen leidt tot een tweede inschrijving in de registers van kwekelingen. Van hen keerden er 13 terug uit militaire dienst. Hun tweede verblijf duurde gemiddeld 1/3 keer zo lang als dat van alle kwekelingen. Van hen gaan na dat tweede verblijf 17 met ontslag en 8 krijgen een baantje in de koloniŽn.

Eind 1858. begin 1859 wordt duidelijk dat Staat de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen gaat overnemen van de Maatschappij van Weldadigheid. Daarom moeten in de loop van 1859 de op het oude contract met de Staat geplaatste kwekelingen terug naar Veenhuizen (34 in totaal). Hun plaatsen worden ingenomen door op particulier geplaatste jongens, die gemiddeld twee jaar ouder zijn dan andere kwekelingen.

Daarom telt die laatste groep niet mee als we kijken naar de leeftijd die jongens hebben als ze op het Instituut aankomen. Dat is gemiddeld 15 jaar en 139 dagen.

Bij de gemiddelde verblijfsduur in het Instituut tellen ook niet mee de jongens die vanwege de afsplitsing in 1859 terug moeten naar Veenhuizen en de jongens die in 1860 weg moeten omdat het Instituut gaat sluiten. De overige 606 kwekelingen verblijven gemiddeld 3 jaar en 201 dagen in het Instituut.

Dezelfde groepen tellen niet mee als we kijken naar het vertrek uit het Instituut. Van de 606 jongeren die hierbij in ogenschouw genomen worden, vertrekken er 302 (bijna 50%) met ontslag en 89 (15%) om in militaire dienst te gaan, al zou het door de slordige registratie kunnen dat een deel van de ontslagenen ook in militaire dienst is getreden.
Er overlijden er slechts 8, waarvan 2 door verdrinking, en er zijn er 22 die het Instituut verlaten door desertie, van wie 6 door achter te blijven van verlof.
De overige 185 jongens worden overgeplaatst binnen de koloniŽn. Bij 41 van hen is (zo goed als) zeker dat zij van het Instituut zijn weggestuurd, bij 45 dat ze een baantje ergens in de koloniŽn gekregen hebben en bij 99 jongens is niet bekend of nog niet bekend waarom ze zijn overgeplaatst.