Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Het eerste jaarverslag van het Instituut, dd 8 juli 1825, met de drie tijdperken der menschwording: plantaardig, zinnelijkheid, verstandelijke vrijheid

Dit jaarverslag is gepubliceerd in het maandblad de Star van oktober 1825. Mulder geeft hierin vooral zijn opvattingen over onderwijs en opvoeding, en geeft op het eind ook het dagprogramma van het Instituut. Met 30 adolescenten bij elkaar, moet hij wel oppassen dat de 'zinnelijkheid niet in dierlijkheid ontaardde'. Stukjes uit dit verslag zijn gebruikt voor De kinderkolonie pagina's 111-112.

Rapport van den Instituteur MULDER, te WATEREN

Aan de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid

Er is ruim een jaar verstreken, dat ik aan het hoofd van dat Landbouwkundig-Opvoedings-Instituut geplaatst ben, hetwelk door U.H.Ed.Gestr. bestemd is, om uit de eigene bevolking uwer KoloniŽn geschikte beambten op te kweeken. De bestendige gewoonte van allen, die tot het onderwijs en de opvoeding in de KoloniŽn in eenige betrekking staan, om van hunne verrigtingen jaarlijks verslag te geven, dringt mij, om mij van eene aangename verpligting te kwijten, door U.H.Ed.Gestr. eene beknopte opgave van die bijzonderheden, welke het Instituut betreffen, onder dankbare erkentenis van het mij geschonkene vertrouwen, aan te bieden.

Het zij mij vergund vooraf de hulde van dankbaarheid te bewijzen aan dien edelen menschenvriend, die omtrent de zaak van onderwijs en opvoeding in ons Koningrijk de grootste verdiensten hebbende, mij gunstiglijk in de gelegenheid gesteld heeft, om het Instituut van den beroemden van Fellenberg, te Hofwijl, te bezoeken, ten einde voor die betrekking, waarmede ik mij thans vereerd zie, geschiktheid te ontwikkelen. En dit oogmerk mijner zending naar Zwitserland duid ik opzettelijk aan, om het denkbeeld te verhoeden, als of ik te Hofwijl eene geheel te voren onbekende manier van opvoeding zoude aangeleerd, en in het mij toevertrouwde Instituut al reeds in beoefening gebragt hebben: een denkbeeld, dat in zich zelve naauwelijks vrij van. ongerijmdheid, van mij eene verwachting zoude kunnen doen voeden, aan welke ik niet kan beantwoorden.

Hoe diep het scherpe oog van den grooten van Fellenberg tot in het binnenste des kinds ook doordringe, en met welke geestkracht hij het aldaar opgemerkte naar het lang erkende doel van alle opvoeding wete te wijzigen, eene nieuwe manier, in het bedoelde opzigt nog minder nuttig dan ten aanzien van het onderwijs, was zeker nooit het doel des grooten mans. Nimmer zal ik echter ondankbaar genoeg zijn, om te ontveinzen, dat ik mijne inzigten, voor zoo verre dezelve naauwkeurig mogten zijn, aan hem en den opvoedkundigen Wehrly verfchuldigd ben.

Overeenkomstig beider beginselen, gewijzigd naar het Nederlandsche karakter, den bijzonderen aanleg en de bepaalde bestemming mijner kweekelingen, heb ik gedurende het verloopene jaar de dertig jonge lieden, welke de bevolking van het Instituut dus lang uitmaakten, naar gelang van mijn vermogen opgevoed.

Zij waren bij hunne aankomst allen heen over die periode, waarin de ontwikkeling eenen meer plantaardigen gang houdt, en waren gedeeltelijk het tijdvak van heerschende zinnelijkheid, gedeeltelijk dat van verstandelijke vrijheid reeds ingetreden, en vorderden derhalve eene niet slechts naauwkeurig berekende, maar tevens verschillende wijze van toezigt en behandeling.

Bij hen welke zich, mag ik het zoo noemen, in het tweede tijdperk der menschwording bevonden, waarin gewaarwording voorheerscht, heb ik de zich ontwikkelende neigingen zoeken te beteugelen, door afwisseling van onderwijs, arbeid en gymnastieke spelen, welke bovendien de middelen waren, om hen voor hunne bijzondere bestemming geschikt te doen worden; terwijl ik alles, wat in mijn vermogen was, te werk stelde, om het kiemende zedelijke en godsdienstige gevoel zoo veel te doen ontspruiten, dat daardoor de te weelderige zinnelijkheid niet in dierlijkheid ontaardde.

Ten aanzien van hen, welke in het derde tijdvak verkeerden, dat namelijk van verstandelijke vrijheid, waarin de bewustheid van zelfstandigheid tot eigenwilligheid natuurlijk leiden moet, heb ik insgelijks door eene bijzondere wijziging van onderrigt, arbeid en gymnastieke oefeningen, het buitensporig zelfgevoel trachten te beperken; terwijl ik niets onbeproefd heb gelaten, om het bezef van eenen hoogeren en beteren wil tot dien trap van levendigheid te verheffen, dat het gevoel van afhankelijkheid bij dezelven opgewekt werd.

De tweestrijd, waarin het bezef van den hoogeren en het gevoel van den eigenen wil den jongeling wikkelen, de daardoor noodzakelijke zelfverloochening, telen eigenaardig en onvermijdelijk voor eenigen tijd eene zekere gemelijkheid, welke hem, die algeheele tevredenheid vordert, en als eenigst kenmerk eener doelmatige inrigting beschouwt, evenzeer zal mishagen, als zij bij de beste wijze van opvoeding altijd onvermijdelijk zal blijven.

Ter bevordering van het bedoelde goede en ter wering van het aangeduide kwade, moeten zeker de veel besprokene, nu eens verdedigde, dan eens afgekeurde, belooningen en ftraffen dienen. Deze hebben in mijn Instituut dus verre alleen bestaan in de betooning van mijne tevredenheid of ontevredenheid over het gedrag der kweekelingen, altijd zoo aan den dag gelegd, dat het kind mijne tevredenheid als de zijne, en mijne ontevredenheid als regtvaardig en voor hem zeiven voordeelig moest beschouwen.

Enkele gevallen uitgezonderd, heb ik die tevredenheid of ontevredenheid alleen aan den kweekeling zeiven betuigd, meenende, dat door openlijke betooning daarvan, of het gevoel van schande te veel zoude drukken, of het gevoel van eer te veel zoude prikkelen; terwijl ik mij nimmer vergelijking van kweekeling met kweekeling veroorloof, waardoor vermoedelijk zedelijk meer bedorven dan er werkdadig mede gewonnen wordt.
Hierdoor is welligt die onderlinge vrede en eensgezindheid, welke mijne kweekelingen voordeelig kenmerken, aanmerkelijk bevorderd, welke dan, wanneer de een zich boven den anderen eenige meerderheid kan aanmatigen, noodwendig verloren moet gaan. En hoe belangrijk deze zoo genoemde gelijkheid voor de goede zaak moet gerekend worden, kan overtuigend blijken uit de betere uitkomsten, welke het groote, boven het kleine Instituut des Heeren van Fellenberg heeft opgeleverd; welke uitkomsten tevens bewijzen, hoe veel eene meer vrije boven eene meer onvrije manier van vorming vooruit heeft.

Zoo onmogelijk als het is, alles, wat in mijne betrekking geschieden moet, uitgewikkeld op te geven, daar er veel gedaan moet worden, dat zich naauwelijks in woorden laat kleeden, zoo overbodig zoude het zijn U.H.Ed.Gestr. met eene uitvoerige opgave van het onderwijs en de zaken, waarover hetzelve loopt, te vermoeijen.
Dit echter mag ik niet verzwijgen, dat ik den dag met het onderwijs begin, waarop, daar de kweekelingen hun onderhoud verdienen moeten, arbeid volgt, welke, na de gymnastieke spelen of oefening in de middaguren, des namiddags voortgezet, en in den avond weder door het onderwijs vervangen wordt.

Het onderwijs betreft alles wat naar mijne gedachten voor de bestemming der kinderen vereischt kan worden, als: lezen, schrijven, rekenen, en verder die wetenschappen, die op den Landbouw eenige betrekking hebben; terwijl ik nimmer vergeet, dat des menschen en dus ook mijner kweekelingen hoogste bestemming in Godsdienst en deugd alleen gelegen is.

Over den uitslag mijner pogingen mag ik bij alle tevredenheid over het gedrag mijner kweekelingen, niets ter neder schrijven, daar de beoordeeling hiervan niet aan mij staat, maar U.H.Ed.Gestr. toekomt. Ik schroom geenszins U.H.Ed.Gestr. de verzekering te geven, dat ik geene moeite zal sparen, om aan mijne bestemming te voldoen; terwijl ik geen vuriger wensch koestere, dan dat het groote oogmerk, hetwelk uwe Maatschappij met het Instituut bedoelt, volkomen bereikt moge worden.

Wateren, den 8 Julij 1825.
(Get.) K. MULDER.