Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Twee kwekelingen worden in maart 1846 van het Instituut weggestuurd als ze schuldig worden geacht aan meerdere diefstallen

Barend Huijsers is geboren 15 maart 1830 en is 12 juni 1843 vanuit Den Haag in het kindergesticht te Veenhuizen gekomen. Frederik Wilhelmus Remer is geboren 11 mei 1830 en komt 14 augustus 1843 vanuit Den Helder naar Veenhuizen. Huijsers zit sinds 2 mei 1844 en Remer sinds 11 mei 1844 in het Instituut te Wateren, en daar gaat het maart 1846 mis.

Op de scans van het wezenregister met invnr 1412 heeft Barend Huijsers het weesnummer 131 en Frederik Wilhelmus Remer het weesnummer 317. Het begint met een brief op donderdag 19 maart 1846 van de Instituteur van Wateren aan de directeur der koloniŽn, invnr 317 de scans 417-418:

Daar sommige kweekelingen van tijd tot tijf eenige eigene kleedingstukken vermisten die van de bleek schenen weggenomen te worden, zoo vermeende men dat zich iemaant Gesticht moest bevinden, wiens eerlijkheid veel te wenschen overliet.

In dat vermoeden werden wij gesterkt, toen het later bleek, dat de kweekelingen B. Huijsers, No 131, en W.F. Remer, No 317, bij den onderdirecteur-buiten eenige worsten, in zijne woning aan den zolder hangende, hadden gestolen, die destijds billijke straf voor hunreven kwadhebben ontvangen.

Eindelijk was uit het welgesloten kastje van den kweekeling Cardinaal, bij avond of nacht, heimelijk weggenomen É 3,70, zonder dat de dief bepaaldelijk kon worden aangewezen.

Alle naspeirongen die van alle zijden werden aangewend, bleven vruchteloos, tot dat de laatste twintig centen, welke van die som nog overig waren, de zaak aan het licht bragten, en alsdan de dieven bleken te zijn, genoemde Huijser en Remer, die dan ook hun misdrijf hebben beleden, en aanvankelijk in de strafkamer zijn opgesloten.

Daar nu beide jongelingen aan meerdere vergrijpen schuldig staan en ik het voor de jeugdige bevolking van dit Gesticht van belang acht, dat zulks voorbeeldig worde gestraft, zoo neem ik de vrijheid UwEdG. te verzoeken, om meergenoemde kweekelingen ten spoedigsten van dit Gesticht te doen verwijderen, en in overweging te willen nemen of het niet goed zoude zijn, dat, zoo niet beide, dan toch de eerste door een veldwachter van hier naar de Ommerschans wierd overgebragt.

Met verlangen ziet daaromtrent UwEdG. antwoord en besluit tegemoet.

Naar de Ommerschans

De directeur laat er het weekend overheen gaan en schrijft dan maandag 23 maart 1846 aan de permanente commissie, invnr 317 scan 414:

Ik heb gemeend aan het voorstel van den Instituteur te Wateren N37, vervat in den brief, waarvan ik de eer heb UwzeEdG hiernevens een afschrift in te zenden, te moeten voldoen, met de daarbij genoemde jongelingen:
B. Huijsers, No 131, en
W.F. Remer, No 137.
aanstaanden Zaturdag, ten oorzake van herhaalde nog al belangrijke diefstal, naar de Ommerschans te verplaatsen, waarop ik, intusschen, UwzeEdG. welnemen zou wenschen te vernemen. 

Een veldwachter met de wagen

Diezelfde dag, 23 maart 1846, schrijft de directeur aan de adjunct-directeur van de Ommerschans, invnr 332 scan 382:

(...)
Nog verzoek ik UwEd aanstaanden vrijdag een veldwachter met de wagen herwaards mede te geven, die 's vrijdags avonds of zaturdags morgen, 2 jongens, met name
B. Huijsers, No 131, en
W.F. Remer, No 137.
van Wateren zal moeten afhalen om, met de overige personen van hier naar de strafkolonie te worden overgeplaatst, ter oorzake van herhaalde niet onbelangrijke ontvreemding.

Inderdaad arriveren Barend Huijsers en Frederik Willem Remer op zaterdag 28 maart 1846 in de strafkolonie op de Ommerschans, zie dit overzicht. Op een kar die verder vol zit met ťťn ingedeelde en ťťn echtpaar met drie kinderen uit de vrije koloniŽn.

Niet hebbende kunnen goedkeuren

Maar het 'welnemen' voor die verplaatsing krijgt de directeur natuurlijk niet en dat weet hij ook wel. Verbanning naar de Ommerschans kan alleen na een uitspraak van een tuchtraad en voorafgaande goedkeuring van de permanente commissie. Die commissie houdt dit 6 april 1846 N15 in beraad en beslist 16 april 1846 N10, en de uitkomst heb ik niet gezien maar laat zich raden.

Op 21 april 1846 schrijft de directeur aan de adjunct-directeur van het eerste gesticht te Veenhuizen, invnr 332 scan 433:

(...)
En deel UwEd mede, dat de P.C. niet hebbende kunnen goedkeuren de overplaatsing van het Instituut te Wateren der bestedelingen B. Huijsers en W.F. Remer naa de Ommerschans, maar hen naar het 1e Gesticht te Veenhuizen overgeplaatst verlangende te zien, om aldaar ter zake van gepleegd misdrijf te Wateren te worden teregt gesteld, zoo doe ik hen van de Ommerschans naar het 1e Gesticht overgaan, zal de Instituteur de beschuldiging tegen hen inbrengen, en noodig ik UwEd uit, die zaak dan door den Raad van Tucht te doen behandelen 

Naar de tuchtraad

En aan de Instituteur vraagt hij diezelfde dag, invnr 332 scan 434, om een 'nota van beschuldiging' op te stellen voor de directie van het eerste gesticht. Alleen lijkt hij een tijdje te vergeten het transport te regelen, want pas op 30 mei 1846 verlaten Barend Huijsers en Frederik Willem Remer de strafkolonie en gaan ze naar Veenhuizen. Toch is dat, 28 maart - 30 mei, een van de kortste detenties in de geschiedenis van de strafkolonie.

Dezelfde avond staan ze terecht bij de tuchtraad. Blijkbaar heeft de Instituteur een gematigde beschuldiging ingeleverd, want alleen de diefstal uit het kastje van de kwekeling Jacob Cardinaal wordt behandeld. Daarvoor krijgen ze allebei acht dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood met boeien aan en daarnaast moeten ze het ontvreemde bedrag terugbetalen.

In Wateren zijn ze niet meer welkom, ze blijven in Veenhuizen. Barend Huijsers verlaat het gesticht en de koloniŽn op 19 mei 1848 om in militaire dienst te treden. Frederik Willem Remer moet nog een keer voor de tuchtraad komen als hij een gezangboekje en zijn exemplaar van het Nieuwe Testament heeft verkocht, en gaat dan op 6 december 1850 met ontslag.