Diverse stukken over het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren 1823-1860

Een verzameling over het paradepaardje van de koloniŽn van weldadigheid. Is het al bijzonder dat armenkinderen enig basisonderwijs krijgen, Johannes van den Bosch heeft ook een vervolgopleiding in het leven geroepen. Alles wat ik heb over het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren is vanaf deze pagina bereikbaar.

De stichting

■ Op 11 mei 1823 komt Johannes van den Bosch met plannen voor een opvoedings instituut in Wateren. Twee slaapzalen, een schoollokaal dat tevens als eetruimte dient, enzovoort, alles uitgewerkt.

■ Dan stuurt hij op 22 juni 1823 'de plans en bestekken' voor het nieuwe Instituut. Hij ziet besparingen in de bouw en hij draagt tal van argumenten aan waarom het nog dit jaar moet gebeuren.

■ Vervolgens is op 14 juli 1823 om twaalf uur 's middags de aanbesteding van het gebouw, waaraan vier aannemers deel nemen. Er wordt van alles geprobeerd om de prijs te drukken.

■ Even wat groter afgedrukt: een plaatje hoe het Instituut er aan de voorkant uit moet hebben gezien. Getekend door de bedelaarskolonist Van Geelen ergens in 1827/1828.

Door de jaren heen

■ Het Instituut te Wateren gaat medio 1824 van start met eerst vooral 'kwekelingen' uit de vrije koloniŽn, daarna met ook weeskinderen uit Veenhuizen. Een kleine greep uit die laatste categorie.

■ Het Instituut begint met personeel van buiten, maar schakelt steeds meer over op eigen kweek. De personeelsleden te Wateren op twee manieren gerangschikt:
     ● Een chronologisch overzicht van mensen met betrekkingen, en
     ● Een overzicht op functies en wie wanneer die functies bekleden.

De kleding van de kwekelingen zoals vastgesteld in 1826 met enkele wijzigingen daarop in latere jaren, zoals het vervangen van de hoed door de pet.

1824 - 1829

■ Op 26 september 1826 besluiten Johannes van den Bosch en Jeremias Faber van Riemsdijk hoe de kwekelingen gekleed zullen gaan. Een opvallend tenue in besluit 56 op deze pagina.

■ Er is altijd wat met de onderinstituteurs te Wateren. De eerste neemt november 1826 de vlucht als door een brief is ontdekt dat hij iets heeft met een weesmeisje uit Veenhuizen.

■ De tweede onderinstituteur moet februari 1829 vertrekken, als hij zich buiten de kolonie zo aan drank te buiten is gegaan dat hij door kwekelingen thuisgebracht moet worden.

■ De Ieerste nsitituteur, Kornelis Mulder, wil loonsverhoging. Hij denkt een aantal argumenten daarvoor te hebben, maar die worden door de directeur maart 1829 vakkundig onderuitgehaald.

■ Volgens de directeur, die na een bezoek aan Veenhuizen terugkeert via Wateren, is april 1829 de veestapel bij het Instituut 'in eene allerslegste toestand'

■ Een kwekeling die graag uit het Instituut weg wil, is Alexander Schonewald, die mei 1829 aan zijn 'Geliefde Zuster' schrijft dat ze met de 'Heeren' in den Haag moet gaan praten over zijn ontslag.

1830 - 1840

■ Op 15 april 1831 stelt directeur Van Konijnenburg voor om Instituteur Mulder adjunct-directeur van de Ommerschans te maken en adjunct-directeur voor het onderwijs Van Wolda het Instituut te Wateren te laten leiden.

■ Besluit van de permanente commissie op voorstel van de directeur der koloniŽn dd 18 juli 1831: Er wordt te Wateren een veefokkerij opgericht.

■ De permanente commissie gaat 24 februari 1832 niet akkoord met het voorstel de kwekelingen te Wateren meer voeding te geven dan de wezen in Veenhuizen, maar het mag wel lekkerder zijn.

■ Veelbelovende kwekelingen raakt men kwijt aan de militaire dienst. Op 14 augustus 1833 wordt besloten dat ze daarna mogen terugkeren.

■ De kwekeling Noach Scheffener is er zo eentje die december 1835 na zijn diensttijd terug wil keren. Later wordt hij hoevenaarsknecht, vrachtrijder, huisknecht en zaalopziener

■ Januari 1836 schrijft Van Wolda het jaarverslag over het Instituut in 1835. Veel godsvrezendheid en positiviteit.

De kwekelingen Jacobus de Groot en Coenraad Johan Jekel nemen oktober 1836 de benen. De eerste keert noodgedwongen terug, de tweede blijft in Amsterdam.

■ Op 10 maart 1838 laten de Instituteur en de directeur aan de permanente commissie weten dat het beroerd gesteld is met de kleding van de kwekelingen. Mogen er lakense buizen komen?

Eind maart 1838 bericht Jan Hessels van Wolda dat de kwekeling Jan Kloosterman in zijn oude woonplaats Nisse zo slecht is ontvangen dat hij beter in het Instituut kan blijven.

■ Een ongemeen levendige beschrijving van een bosbrand die twee kwekelingen in Wateren op zondag 12 mei 1839 per ongeluk veroorzaken.

■ De kwekeling Jan Pieter van Ingen, oorspronkelijk uit Middelburg, is zo'n noeste werker dat hij oktober 1839 in particuliere dienst bij Johannes van den Bosch treedt.

1840 en verder

Het jaarverslag over het Instituut in 1842 is niets dan jubel over en dankbaarheid voor de onafgebroken gezondheid, de loffelijke employťs en de prijzenswaardige kwekelingen.

Een kwekeling die ondanks het Instituut later erg slecht terechtkomt, schrijft 4 juni 1844 een brief over wantoestanden bij het bedelaarsgesticht. Het klopt niet.

■ 7 mei 1845: De kwekelingen te Wateren moeten zuiniger zijn op hun kleding en om dat te bevorderen moeten ze reparatie voortaan zelf betalen.

■ Net als alle hoofden van koloniŽn moet ook de Instituteur van Wateren januari 1846 een lijst inleveren van alle jongeren die het afgelopen jaar met ontslag zijn gegaan.

■ In april 1852 wordt besloten een nieuw schooltje te bouwen in het gebied dat als Groot-Wateren of Doldersum (later Boschoord) bekend staat, waar diverse kwekelingen het onderwijsvak leren.