Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Drie broers Lenos komen eind 1846 in het kindergesticht en er wordt veel weggelopen, vooral richting vader.

Op 23 november 1846 komen uit Rotsterhaule, een dorp ten zuidoosten van Joure, drie broers aan in het kindergesticht te Veenhuizen. Het is de eerste en enige maal dat er uit Rotsterhaule kinderen komen.

Het gaat om drie kinderen van Berend Anthoon Lenos en Nennigjen Jans Bosch. Hun moeder is 18 januari 1845 overleden en het is in de negentiende eeuw hoogst, hoogst zeldzaam dat een alleenstaande vader de zorg voor zijn kinderen draagt. Eigenlijk komt dat alleen voor als die vader zo welgesteld is dat hij er personeel voor kan inhuren.

Als hij dat niet kan, vinden ook de plaatselijke regenten dat ze de zorg voor de kinderen moeten overnemen en zo komen de broers in Veenhuizen. Een vierde kind, een dochter, komt niet mee en blijft waarschijnlijk bij familie. De drie broers zijn, in volgorde van leeftijd met vermelding van hun weesnummer in het wezenregister met invnr 1413:

Anthoon Berends Lenos, geboren 26 maart 1831, weesnummer 1345,
Jan Berends Lenos, geboren 7 januari 1833, weesnummer 1346, en
Wouter Berends Lenos, geboren 17 april 1838, weesnummer 1347.

Instituut te Wateren

De twee oudsten, Anthoon en Jan, worden uitverkoren voor een vervolgopleiding op het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding, zie hier voor meer over dat Instituut. Ze ondernemen op 4 maart 1847 de voetreis van Veenhuizen naar Wateren. Anthoon krijgt het kwekelingnummer 72 in de kwekelingenregisters met de invnrs 1583 en 1611, en Jan 77.

Korte tijd na aankomst, op 24 april 1847, loopt er eentje uit Wateren weg. Volgens het wezenregister met invnr 1413 is het Anthoon, volgens de tuchtraad van 28 april 1847 is het broer Jan. We zullen er waarschijnlijk nooit achter komen, broers en meer algemeen weeskinderen door elkaar halen komt zowel in de registers als in de verslagen van de tuchtraden regelmatig voor, maar verderop zal ik betogen dat ze waarschijnlijk toch Anthoon bedoelen.

Overlijden Wouter

Hoe dan ook, de vluchter wordt de volgende dag, 25 april 1847, al door behulpzame politiedienaren uit Meppel bij het eerste gesticht te Veenhuizen afgeleverd. De aangeklaagde vertelt op de tuchtzitting over de desertie dat hij 'zijnen Oom te Zwolle wenschende te bezoeken, op reis derwaarts zijnde te Meppel opgevat was'. Hij wordt veroordeeld tot 8 dagen opsluiting in de strafkamer.

Volgens het kwekelingenregister, en dat is één reden waarom ik denk dat de tuchtraad Anthoon bedoelde in plaats van Jan, blijft Anthoon Berends na die tuchtzaak in Veenhuizen. Daar moet hij meemaken dat het jongere broertje Wouter Berends Lenos op 21 juni 1847 overlijdt. Doodsoorzaak onbekend, maar misschien duikt er in de toekomst nog een verslag over dat jaar van de geneesheren van Veenhuizen op.

De zucht om zijnen vader te bezoeken-1

Terwijl broer Jan nog steeds in Wateren zit, moet Anthoon op 14 september 1847 weer voor de tuchtraad komen. Hij zou via een medewees een paar van zijn koloniale kousen hebben verkocht aan een vrouwelijke wees. Dat levert hem weer acht dagen opsluiting op. Bovendien wordt op het tegoed op oververdienste, dat voor hem in de spaarbank staat, het dubbele bedrag van de waarde van dat paar kousen, oftewel 1 gulden 60 cent, ingehouden.

Dan begint begin 1848 bij Anthoon het familiegevoel te kriebelen. Hij loopt uit Veenhuizen weg op 12 februari 1848. Hij wordt echter op 14 februari weer teruggebracht en de politiedienaar die dat doet, claimt ook de gebruikelijke premie en de transportkosten. Op de tuchtraad van 16 februari 1848 verklaart Anthoon 'dat de zucht om zijnen vader te Heerenveen wonende, te bezoeken hem hier toe genoopt had'.

De zucht om zijnen vader te bezoeken-2

Dat de tuchtraad hem hier voor doet komen voor desertie voor de 2e maal is een andere reden waarom ik denk dat ze bij de tuchtraad van 28 april 1847 ook al Anthoon en niet zijn broer Jan vonnisten. Nu wordt hij veroordeeld tot '8 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood met boeijen aan, tevens zijne rekening oververdiensten te belasten met ƒ 4.50 wegens premie en transport kosten'.

Dat betekent dat hij 24 februari weer op vrije voeten is en... 27 februari 1848 neemt hij opnieuw de benen. Maar 29 februari wordt hij weer teruggebracht en diezelfde dag moet hij verschijnen voor de tuchtraad. 'De Raad liet hem binnen staan om gehoord te worden. Hij gaf te kennen dat de wensch om zijnen vader die te Heerenveen woond te bezoeken, hem op nieuw tot desertie genoopt had.'

Strafkolonie op de Ommerschans

Dat levert hem weer acht dagen opsluiting plus ƒ 4.50 premie en transportkosten op. Maar bovendien is de tuchtraad 'van gevoelen, om hem wegens herhaling van dit misdrijf voor eenen onbepaalden tijd te verwijzen naar de strafkolonie te Ommerschans, ten einde hem uit de nabijheid van zijnen vader te doen zijn, die zich te Heerenveen ophoudt en waarheen hij zich van hier telkens begeeft'.

Dit staaltje vuile pesterij wordt genoemd op pagina 349 van De kinderkolonie. De wens van de raad om Lenos verder weg van zijn vader te plaatsen, wordt door de permanente commissie gehonoreerd. Volgens het register van strafkolonisten met invnr 1586 folio 3 komt hij 14 april 1848 in de strafkolonie aan. En daar is de bewaking heel wat uitgebreider en strikter dan bij het kindergesticht.

Beide broers komen vrij

Dat Anthoon steeds wegens desertie terechtstaat, wil niet zeggen dat Jan Berends Lenos het niet kan. Hij loopt 18 februari 1849 weg uit het Instituut te Wateren en ze hebben hem pas te pakken op 19 mei 1849 en dan komt er niet eens een tuchtzaak maar krijgt hij meteen zijn ontslag. Vermoedelijk gaat hij naar Herenveen.

Dat zou Anthoon ook wel willen, maar hij zit nog vast. Op 21 oktober 1850 moet hij voor de tuchtraad van de Ommerschans komen. Hij heeft koloniale kledingstukken verkocht, te weten 'een hemd en een paar kousen van de 2e taille als mede een paar handschoenen'. Hij wordt veroordeeld tot '8 dagen opsluiting om den anderen dag water en brood en dubbele vergoeding ad ƒ 4.70'.

Hij duurt tot 30 mei 1851 eer hij er in slaagt om van de Ommerschans weg te komen. Hij is dan al twintig jaar en als hij deserteert zorgt hij dat ze hem niet te pakken krijgen. Eindelijk kan hij naar Heerenveen.

Anthoon verder-1

Dat wil niet zeggen dat er een happy end komt, want de hereniging van vader en zoon kan slechts kort duren. Vader overlijdt 5 september 1851. Daarna zit Anthoon Berends zonder middel van bestaan en het gevolg is dat hij weer richting Veenhuizen trekt. Hij meldt zich te Assen en wordt dan op 4 oktober 1851 het bedelaarsgesticht op de Ommerschans binnengevoerd, toegang 0137.01 invnr 436 scan 289.

Hij is dan 1 meter 53 lang, heeft een ovaal aangezicht, blond haar en blauwe ogen, een ronde kin en geen bijzondere kenmerken. Domicilie van onderstand (= de plaats die moet betalen voor zijn verblijf in het bedelaarsgesticht) is Sint Johannisga.

Hij moet na een week nog wel bij de tuchtraad voorkomen voor zijn eerdere desertie, waarbij hij 'meer Kleeding Stukken dan hij, gekleed zijnde, bij zich mogt hebben' had meegenomen. Hij wordt veroordeeld tot 'veertien dagen opsluiting om den anderen dag te water en brood, en het dragen van een onderscheidingspak voor den tijd van vier maanden'. Dat special pak voor deserteurs is zwart-wit gestreept.

Hij wordt 20 december 1851 overgeplaatst naar Veenhuizen en is dan weer op bekend terrein.

Anthoon verder-2

Met dien verstande dat hij nu niet in het eerste maar in het tweede of derde gesticht verblijft en niet op een zaal met weeskinderen maar op een zaal met bedelaars woont. Er komt een einde aan als hij 12 augustus 1852 in militaire dienst gaat. Wat overigens betekent dat hij het afgelopen jaar nog gegroeid is, want voor het leger moet je minimaal 1 meter 57 lang zijn.

Daarna is het weer mis, want op 19 april 1856 komt hij weer in het bedelaarsgesticht aan, weer vanuit Assen, toegang 0137.01 invnr 438 scan 192. Hij is inmiddels 1 meter 65 lang en verder is het signalement gelijk gebleven, behalve dat nu vermeld wordt dat hij 'scheelziend' is. Hij wordt 30 april 1856 overgeplaatst naar Veenhuizen en ouder gewoonte getrouw deserteert hij daar op 8 juli 1856.

Daarna komt hij niet meer in Veenhuizen terug, maar overlijdt hij 9 april 1863 te Hoorn (in het werkhuis?). Broer Jan doet het beter, hij trouwt in 1860 en zorgt voor een uitgebreid nageslacht, waardoor hij in diverse genealogieën voorkomt.